• 10 tips om niets meer kwijt te raken op school

    10 tips om niets meer kwijt te raken op school

    | 4 december 2017 | Reacties (1)

    Komt jouw kind ook regelmatig thuis zonder broodtrommel, met maar één gymschoen of zonder jas? Of moet je bijna dagelijks helpen zoeken naar mysterieus verdwenen fietssleutels of bibliotheekboeken? Wanhoop niet! Deze tien tips helpen je kind om niets meer te kwijt te raken op school. 1. Klein beginnen Van ‘alles vergeten’ naar ‘niets meer kwijtraken’ is […]

10 tips om niets meer kwijt te raken op school

10 tips om niets meer kwijt te raken op school

4 december 2017 | Reacties (1)

Komt jouw kind ook regelmatig thuis zonder broodtrommel, met maar één gymschoen of zonder jas? Of moet je bijna dagelijks helpen zoeken naar mysterieus verdwenen fietssleutels of bibliotheekboeken? Wanhoop niet! Deze tien tips helpen je kind om niets meer te kwijt te raken op school.

1. Klein beginnen

Van ‘alles vergeten’ naar ‘niets meer kwijtraken’ is een grote stap en waarschijnlijk een te grote stap. Geef je kind de opdracht om een hele week aan één bepaald item te denken, bijvoorbeeld haar jas of haar drinkbeker. De tweede week doe je er een tweede item bij. Door kleine, haalbare doelen te stellen groeit het zelfvertrouwen van je kind.

2. Maak een checklist

Stop een lijstje in de schooltas waarop alles staat wat je kind mee naar huis moet nemen.

3. Alles op vaste plekken

Kies een schooltas met aparte vakken en wijs een vast vak aan voor alles wat je kind moet meenemen. Laat je kind zelf de tas inpakken om zich ervan bewust te worden wat er precies meegaat naar school en wat dus ook weer mee naar huis moet.

4. Bedenk een ezelsbruggetje

Verzin een ezelsbruggetje dat je kind helpt om overal aan te denken. Bijvoorbeeld: Grote Beren Bouwen Jofele Flats, voor Gymtas – Broodtrommel – Beker – Jas – Fietssleutel. Of: Mijn Hond Speelt Trompet, voor Muts – Handschoenen -Sjaal – Tas. Een beetje mal misschien, maar het werkt wel!

5. Weinig meenemen

Wat je niet meeneemt, kun je ook niet kwijtraken. Laat je kind dus alleen het hoognodige meenemen. Bijvoorbeeld boterhammen in een plastic zakje en een pakje drinken in plaats van een broodtrommel en drinkbeker. Het bibliotheekboek? Dat blijft thuis. Altijd de fietssleutel kwijt? Dan maar lopend naar school.

6. Gestructureerd omkleden

Leer je kind om bij het omkleden voor gymles of schoolzwemmen gestructureerd te werk te gaan. Sokken in de schoenen stoppen, kleren netjes op een stapeltje leggen en de gym- of zwemtas daar bovenop. Na de gymles gaan de handdoek en gymkleren als eerste in de tas. Dit kun je thuis goed oefenen door dezelfde routine aan te houden bij het naar bed gaan en opstaan; daarmee voorkom je bovendien dat de slaapkamer van je kind het toneel is van rondslingerende kleren, verweesde sokken en al dan niet vieze onderbroeken.

7. Lik op stuk

Vraag je kind als het thuiskomt of alle spullen mee zijn. Heb je je broodtrommel? Heb je je gymtas? Heb je je boek meegenomen? Ja? Goed zo! Nee? Hup, even terug naar school en ophalen. Ook al regent het, ook al heeft je kind afgesproken met een vriendje, ook al heb je nog twee reserve drinkbekers in de kast staan – eerst even naar school om de spullen op te halen. Blijf dit consequent doen. Straf je kind niet door essentiële zoekgeraakte spullen, zoals gymschoenen, niet te vervangen. Maar is je kind die mooie, dure etui kwijtgeraakt, dan volstaat een goedkoper exemplaar als vervanging prima. En in een plastic diepvriesbakje passen de boterhammen net zo goed als in de kwijtgeraakte Skylander-broodtrommel.Op die manier ervaart je kind dat spullen kwijtraken consequenties heeft.

8. Label alle spullen

Het is verstandig om alles wat meegaat naar school te voorzien van de naam van je kind en het telefoonnummer. Je kunt hiervoor hippe naamlabels kopen, of simpelweg een watervaste stift hanteren.Vergeet vooral niet de gymspullen van de naam en telefoonnummer te voorzien en dan niet alleen de tas, maar ook beide schoenen, het sportshirt en -broekje. Vaak wordt er gegymd in sportzalen waarvan meerdere scholen gebruik maken. Schrijf in dat geval ook de school van je kind erbij, dat vergroot de kans dat je vergeten spullen terugkrijgt.

9. Weet waar de gevonden voorwerpen worden bewaard

Kinderen die altijd hun spullen kwijtraken, zullen niet van de ene op de andere dag georganiseerde types worden. Daar gaan tijd en oefening overheen. Tot het zo ver is, is de bak met gevonden voorwerpen je beste vriend. Ook al zijn spullen gelabeld, dat wil nog niet zeggen dat ze niet op de grote hoop kunnen belanden. En vind je in die bak met gevonden voorwerpen niet de spullen die jouw kind is kwijtgeraakt, dan vind je wel iets anders: de troost dat je kind niet de enige is die van alles kwijtraakt.

10. Wees mild

Niet alleen kinderen raken spullen kwijt, het overkomt ons volwassenen net zo goed. Hoe vaak moet je zelf op zoek naar je sleutels, je telefoon of je portemonnee? Kinderen nemen hun spullen mee naar drukke scholen, met overvolle kapstokken in een wirwar van andere kinderen die vaak al net zo ongeorganiseerd zijn. Als je het zo bekijkt is het niet zo gek dat er eens een handdoek in een verkeerde tas terechtkomt of een drinkbeker onder een kast rolt.

Verder lezen

Tips om je kind te helpen met concentreren

Tips om je kind te helpen met concentreren

27 november 2017 | Reacties (0)

Je dochter is een dromer. Je zoon kan niet stilzitten.  Je kind is door het minste of geringste afgeleid. Misschien heb je tijdens het tienminutengesprek te horen gekregen dat je kind moeite heeft om zich te concentreren. Is dat erg? Hoe kun je je kind helpen? In dit artikel zetten we het voor je op een rijtje.

hoe-leert-een-kind-zich-concentreren

”De juf gaf aan dat Jayden moeite heeft om zich te concentreren. Tijdens het zelfstandig werken kan hij zijn aandacht niet vasthouden. Hij bemoeit zich met alles en iedereen behalve zijn eigen taakjes. Ik herken het wel van thuis. Jayden doet uren over een bord eten omdat hij druk is met alles om zich heen. Maar als hij met Lego speelt of aan het gamen is, kan hij zich urenlang concentreren. Hoe kan dat?”

 

Wat is concentratie?

Concentratie wordt vaak omschreven als aandacht of focus. Aandacht is een mechanisme dat de enorme hoeveelheid aan prikkels die op ons afkomt filtert. Het richten van de aandacht valt daarbij te vergelijken met de werking van een vergrootglas.* Het wordt ook wel ‘selectiviteit in de waarneming’ genoemd.** Daarbij spelen ook de factoren ‘tijd’ en ‘intensiteit’ een rol. We hebben het pas over concentratie als je gedurende wat langere tijd met een zekere intensiteit met iets bezig bent.

‘Concentratievermogen’ is geen in beton gegoten waarde. Dat blijkt wel uit het verhaal van Jayden. Bij zijn schooltaakjes kan hij moeilijk de aandacht vasthouden, maar als hij aan het spelen is, is hij langere tijd volledig gefocust.

Vrijwillige concentratie en gedwongen concentratie

Dat de concentratie varieert is een verschijnsel dat iedereen vertoont. Denk maar aan jezelf. Stel, je wordt op een feestje aangesproken door een nogal saaie persoon. Hij steekt een ellenlang verhaal af over een van zijn hobby’s. Omdat je het onbeleefd vindt om niet even met hem te praten, probeer je op gepaste momenten ‘ja’ en ‘nee’ te zeggen en een vraag te stellen. Dat lukt redelijk, maar zodra twee kennissen van je pal achter je een gesprek beginnen waaraan je dolgraag zou willen meedoen, is je concencratie helemaal weg. “Eh… sorry, wat zei je….?”

Als het gaat om concentratie, is er een onderscheid in vrijwillige concentratie en gedwongen concentratie. Als je iets doet wat je leuk vindt en waar je zelf voor kiest (vrijwillige concentratie), komt de concentratie vanzelf en kun je je dieper en langer focussen. Moet je je verplicht op een bepaalde taak richten (gedwongen concentratie), dan is dit een stuk moeilijker.

Dat een kind op school vaak dingen moet doen waar hij of zij niet zelf voor kiest, wil niet zeggen dat er bij schoolwerk alleen maar sprake is van gedwongen concentratie. Bij een kind dat het taakje met plezier en motivatie doet, vallen gedwongen concentratie en vrijwillige concentratie samen.

Leeftijd en concentratie

Ook leeftijd speelt een belangrijke rol bij concentratie. Jonge kinderen hebben een veel kortere aandachtsboog dan oudere kinderen. Hun aandacht wordt al snel door iets anders opgeëist. Ze kunnen zich bij het uitvoeren van een taak veel moeilijker afsluiten voor afleidende prikkels dan oudere kinderen. Als richtlijn geldt:

  • 6 jaar: 10 minuten
  • 10 jaar: 20 minuten
  • 13 jaar en ouder: 30 minuten

Kán je kind zich niet concentreren of lúkt het concentreren niet?

Daarnaast is aanleg een factor. De één kan zich van nature nu eenmaal makkelijker afsluiten voor prikkels en invloeden van buitenaf dan de ander. Bij kinderen met ADD of ADHD zijn de concentratieproblemen groter dan gemiddeld. Dit betekent echter niet dat je kind ‘dus’ ADD of ADHD heeft.

Concentratieproblemen zijn onder te verdelen in twee soorten:

  1. je kind heeft wel het vermogen om zich te concentreren, maar het lukt niet. Bijvoorbeeld doordat er de omstandigheden zijn die dit moeilijk maken. Dit worden concentratiebelemmeringen genoemd. Belemmeringen kunnen zijn: de leerstof is te moeilijk, de les is saai, de klas is rumoerig of je kind heeft te weinig geslapen.
  2. er is sprake van een concentratiestoornis: het concentratievermogen ontbreekt. Bij een concentratiestoornis kan het gaan om de tijdsduur van concentratie (slechts heel kort), om snel afgeleid zijn of om niet efficiënt kunnen focussen.

Bij de meeste kinderen met concentratieproblemen is er geen sprake van een stoornis.

Concentreren is iets wat je in je ontwikkeling moet leren. Het is een vaardigheid die je kind kan (en moet) oefenen. Meestal gebeurt dat vanzelf. Maar er zijn ook dingen die je kunt doen om te helpen zolang je kind zich uit zichzelf nog niet goed genoeg kan concentreren.

 

Hoe verbeter je de concentratie?

Laten we beginnen met wat niet werkt, maar wat – gek genoeg – de eerste methode is die meestal wordt geprobeerd. Namelijk zeggen tegen het kind dat het zich moet concentreren:

  • “Houd je hoofd er nu eens bij.”
  • “Concentreer je nou eens.”

Of, in een variant: “Zit eens stil. Als je zo beweegt kun je je toch niet concentreren?”

Hoewel de eerste twee opmerkingen wel kunnen helpen om een kind eraan te herinneren dat dit een situatie is die om zijn concentratievaardigheden vraagt, helpen ze niet om die vaardigheden daadwerkelijk te vergroten. Zonder de ‘skills’ om te focussen, valt er maar weinig te concentreren.

Beweging helpt kinderen om zich te concentreren

Wiebelen en friemelen

De tweede opmerking (‘zit eens stil’) berust op een ouderwetse opvatting die door modern onderzoek is verworpen. Tegenwoordig is bekend dat beweging juist goed is voor de concentratie. Kinderen die tijdens de reken- en taallessen bewegen, leren veel meer dan kinderen die stilzitten, zo ontdekten wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen. Ze leren met meer aandacht en zijn beter bij de les.

Dat geldt niet alleen voor ‘grote’ bewegingen, maar ook voor ‘kleine’. Denk maar aan de tekeningetjes die je zelf maakt tijdens een vergadering of telefoongesprek. Ze helpen om je aandacht erbij te houden. Ook kinderen gebruiken (onbewust) die techniek: ze friemelen aan hun kleren, kauwen op hun pen, wippen heen en weer op hun stoel, draaien een haarlok om hun vingers of neuriën een liedje.

Als volwassene vinden we dat gedrag vaak irritant en vragen we het kind ermee op te houden. Dat is jammer, want daarmee maken we het voor een kind moeilijker om zich te concentreren. Soms kan het niet anders. Want het gedrag dat het ene kind helpt om zich te concentreren, kan voor klasgenoten zó storend zijn dat zij zich juist niet meer kunnen concentreren.

Als jouw kind zo’n stoorzendertje is, kan het een goed idee zijn om op zoek te gaan naar een manier waarop jouw kind kan friemelen of bewegen zonder dat het anderen stoort. Er zijn allerlei attributen te koop die kunnen helpen, zoals een wiebelkussen voor beweeglijke kinderen, een tangle waarmee je kind kan friemelen of speciale sieraden om op te kauwen of sabbelen. Het bekendste voorbeeld is waarschijnlijk de fidget spinner, dé speelgoedhype van 2017, die echter van oorsprong bedacht is om te helpen bij concentratieproblemen. Bespreek het vooral ook even met de leerkracht voordat je iets aanschaft. Op school is soms al materiaal aanwezig en soms hebben scholen een duidelijke voorkeur voor producten.

Regelmatig sporten en bewegen

Beweging tijdens het concentreren helpt, maar ook gewoon sporten en bewegen verbeteren het concentratievermogen. Jongeren die veel bewegen kunnen zich beter concentreren op school, zo bleek vorig jaar uit promotieonderzoek aan de Open Universiteit. Alleen al met de fiets of lopend naar school gaan in plaats van met de auto bleek – opvallend genoeg specifiek voor meisjes – te helpen om zich op school beter te kunnen concentreren.

De gunstige werking van beweging op het concentratievermogen is ook wat kinderen en leerkrachten ontdekken die op school meedoen met de Daily Mile: elke dag een kwartier hardlopen tijdens schooltijd om kinderen voldoende te laten bewegen. Het verschijnsel begon in Engeland en krijgt sinds dit schooljaar ook in Nederland voet aan de grond: als de concentratie inzakt, gaat de hele klas een kwartiertje hardlopen en iedereen kan weer fris en gefocust aan de slag.

Leerlingen groep 6 De Bakelgeert rennen elke dag The Daily Mile

De kinderen van groep 6 van basisschool De Bakelgeert in Boxmeer gaan iedere doordeweekse dag 1,5 kilometer hardlopen. Tussen de lessen door lopen ze rondjes in het park. Het project heet The Daily Mile en is overgewaaid vanuit Schotland.

‘Laat je niet afleiden’

“Laat je toch niet zo afleiden.” Een andere dooddoener om tegen een snel afgeleid kind te zeggen. Het kind kiest er immers niet voor om afgeleid te raken, het gebeurt gewoon… Je kind weet wel dat er aandacht nodig is om iets te leren, maar het lukt nog niet om de nieuwsgierigheid naar al het andere om hem heen lang genoeg te onderdrukken. Jonge basisschoolkinderen hebben hiervoor nog niet genoeg zelfdiscipline.

concentratie-werkplek-kids-f-type-1-_-tbv-tafel-70-x-50-cm-kopen_-_-heutink-nlZolang het je kind nog niet lukt om zich af te sluiten voor prikkels die zijn of haar aandacht vragen, kan het helpen om te zorgen dat de prikkels je kind niet bereiken. Geluidsdempende koptelefoons zijn op de basisschool al helemaal ingeburgerd. Ze houden niet alle geluiden tegen, maar dempen stemmen van klasgenoten net genoeg om ze te kunnen negeren.
Op veel scholen mogen de kinderen zelf kiezen waar ze gaan zitten tijdens het zelfstandig werken. Kinderen die van rust houden, kiezen een rustig plekje. Kinderen die juist gedijen bij wat reuring (voor sommigen is dat juist goed voor de concentratie!) kiezen een wat rumoeriger omgeving. Heeft jouw kind op school geen keuze over de werkplek, of laat je zoon of dochter zich ook op een rustige plek nog te veel afleiden, dan kan een speciaal scherm op het tafeltje een uitkomst zijn. Die houdt visuele prikkels tegen: je kind heeft geen uitzicht meer en moet dus wel naar het taakje kijken.

 

Concentreren kun je leren

Trucjes en hulpmiddelen kunnen je kind helpen, maar uiteindelijk is het doel natuurlijk dat je kind zich op eigen kracht kan concentreren. Dat is een vaardigheid waar je kind levenslang de vruchten van zal plukken.

Train het werkgeheugen

Uit onderzoek blijkt dat problemen in de aandacht en concentratie vaak te maken hebben met problemen met het werkgeheugen. Het werkgeheugen is de plek waar informatie tijdelijk wordt opgeslagen in de hersenen. Door het werkgeheugen te trainen, wordt het groter.

Kleuters kunnen al heel goed oefeningetjes doen. Geef je kind bijvoorbeeld kleine opdrachtjes waarin je de uiteindelijke taak even uitstelt: “Loop eerst naar de voordeur, ga dan naar de keuken, haal twee mandarijntjes op en bouw daarna een legotoren van vijf blokjes.” Je kunt de reeks steeds langer maken. Daarmee traint je kind zijn werkgeheugen. Kleuters vinden dit vaak erg leuke spelletjes om te doen.

Wat helpt om de concentratie beter vast te houden: leer je kind om een grote opdracht in kleinere taakjes op te delen. ‘Ruim je kamer op’ kan een te grote opdracht zijn. De kans is groot dat je kind na een minuut op de grond zit te spelen met speelgoed dat eigenlijk had moeten worden opgeruimd. Door zo’n taak op te delen leert je kind niet alleen naar een doel toe te plannen, maar wordt het werk ook opgedeeld in kleine brokjes die concentratie vragen, waarna er even gepauzeerd kan worden. Eerst de verkleedkleren in de la doen. Dan alle knuffels in de mand stoppen. De stiften moeten in het pennenbakje. Tot slot alleen nog even alle Playmobil opruimen en klaar is Kees.

 

Spelletjes spelen om beter te leren concentreren

schaken kinderen

Een van de leukste manieren om je concentratie te trainen is spellen spelen. Bij heel veel spellen speelt het vermogen om de aandacht erbij te houden een rol. Neem maar eens een kijkje in de spelletjeskast; je komt daarin vast spellen tegen waarbij concentreren belangrijk is, zoals Memory, Stratego, Halli Galli, Dokter Bibber, etcetera. Of haal het schaakbord of dambord uit de kast. Kinderen die regelmatig schaken of dammen kunnen zich duidelijk merkbaar beter concentreren.

Ook belangrijk voor de concentratie

  • Voldoende slaap
  • Een gezond ontbijt
  • Voldoende water drinken
  • Goede balans tussen concentreren en ontspannen
  • Geen zorgen, angst of spanningen of last van veranderingen

 

Of is het toch een concentratiestoornis?

Zoals gezegd: er zijn veel kinderen die concentratieproblemen hebben. Maar concentratieproblemen kunnen ook een dieperliggende oorzaak hebben. Vermoed je dat er bij jouw kind meer aan de hand is? Bespreek dit dan met de leerkracht of met je huisarts. Vertel waarover je je zorgen maakt en waarom. Samen kunnen jullie bepalen of er extra hulp nodig is en wat dan de beste aanpak is.

 

* Liesbeth van Beemen, Ontwikkelingspsychologie, Wolters-Noordhoff (2006), p.102

** Jacques Soonius, Psychologie in hoofdlijnen, Boom Lemma (2014), p. 36

Verder lezen

'Kom maar in een rustige periode'

‘Kom maar in een rustige periode’

20 november 2017 | Reacties (0)

Zodra kinderen vier jaar oud zijn, mogen ze naar de basischool. Toch kan het best zijn dat de leerkracht of directeur aangeeft dat je kind nog niet welkom is. Bijvoorbeeld als je kind eind november of in december jarig is. In de drukke decembermaand met Sinterklaas en Kerst zijn de kleuters vaak erg druk en is het heel onrustig in de klas. Voor nieuwe leerlingen kan dat te overweldigend zijn; bovendien heeft de leerkracht dan vaak de handen vol aan de andere kinderen, waardoor de nieuwe leerling niet goed kan worden opgevangen.

Voor nieuwe kinderen is de drukkke sinterklaastijd niet zo’n geschikte periode om op school te beginnen.

Volle klassen voor de zomer

Sommige scholen laten kinderen ook niet meer wennen in de laatste weken voor de zomervakantie. De kinderen in groep 1 zitten na de zomervakantie in groep 2 en je kind moet dan weer aan een nieuwe groep wennen. Bovendien zitten de instroomgroepen aan het eind van het schooljaar vaak erg vol. Voor je kind kan het prettiger zijn om dan na de zomervakantie te starten in de nieuwe instroomgroep. Dan heeft hij/zij de juf bijna voor zichzelf!

Wet: niet langer dan een maand wachten

Hoewel scholen vaak goede argumenten hebben om je kind nog even te laten wachten met naar school gaan, kan het zijn dat je het er zelf niet mee eens is. Omdat je kind nu eenmaal ontzettend aan school toe is, of omdat je denkt dat de argumenten niet opgaan voor jouw kind. Dan is het goed om te weten dat scholen verplicht zijn om kinderen minstens één keer per maand te laten starten. Moet jouw kind langer wachten en ben je het hier niet mee eens, dan kan je je beroepen op deze regel.

Of het verstandig is om hierover dwars te gaan liggen is een ander verhaal; je hebt kans dat je daarmee een valse start maakt in je relatie als ouder met de school. Bedenk dat de school de komende acht jaar een grote rol in jouw leven en dat van je kind zal spelen.

Tijdig extra kinderopvang regelen

Gaat je kind naar de kinderopvang, dan kan je tussen wal en schip belanden als je kind nog niet gelijk na zijn of haar vierde verjaardag op de basisschool kan starten. Het kind is immers te oud voor het kinderdagverblijf en heeft meer opvang nodig dan de paar uurtjes bso. Bij veel kinderopvangorganisaties zijn hierover goede afspraken te maken, mits het tijdig wordt aangekaart. Lukt dit niet, dan ben je aangewezen op informele kinderopvang van bijvoorbeeld opa’s en oma’s of kan je proberen op je werk nog iets te regelen. Bespreek daarom ruim van te voren (enkele maanden) of je kind daadwerkelijk op zijn of haar vierde verjaardag op school terecht kan.

 

Verder lezen

Moe van school? Een snipperdag mag (soms)

Moe van school? Een snipperdag mag (soms)

13 november 2017 | Reacties (0)

Voor sommige kleuters is naar school gaan erg vermoeiend. Veel kinderen hebben na een poosje een dipje, waarin ze hangerig of dwars zijn, moeite hebben met opstaan, of misschien wat vaker in bed plassen. Heb je het gevoel dat je kind op zijn tandvlees loopt, houd hem dan gerust eens een middagje thuis om bij te tanken. Zolang je kind nog geen 5 is, mag dat.

moethuishoudenvanschool

Overleg wel altijd met de leerkracht en overdrijf niet: ook al is een 4-jarige nog niet leerplichtig, het is wel de bedoeling dat je kind zoveel mogelijk meedraait in het normale schoolritme.

5-jarige kleuter: vrijstelling aanvragen

Als je kind 5 is, is hij of zij wel leerplichting. Dan moet je kind dus iedere schooldag naar de basisschool. Als je kind niet naar school gaat, ben je zelfs strafbaar.

Toch mag je ook je 5-jarige kleuter  af en toe wat korter naar school laten gaan als een hele schoolweek nog wat te vermoeiend is. De leerplichtwet biedt de mogelijkheid om, in overleg met de schooldirecteur, een vijfjarige kleuter vijf uur per week thuis te houden om overbelasting te voorkomen. Mocht dit nog niet genoeg blijken te zijn, dan mag je daar nog 5 extra uren vrijstelling bovenop vragen.

Totdat je kind 6 jaar is, kun je hem of haar dus maximaal 10 uur per week Het gaat dan om een officiële (gedeeltelijke) vrijstelling van de leerplichtwet. Je hebt dus toestemming nodig van de directeur.

Verder lezen

6 Tips om veilig Sint Maarten te lopen

6 Tips om veilig Sint Maarten te lopen

6 november 2017 | Reacties (3)

11 November is de dag dat ik mijn lichtje branden mag – althans in de delen van Nederland. Gaat jouw kind ook Sint Maarten lopen? Misschien wel voor het eerst zonder ouders erbij? Met de tips uit dit artikel zul je je kind met een gerust gevoel op pad laten gaan.

Normaal gesproken stel je als ouder duidelijke grondregels op voor de veiligheid van je kind: voor het donker thuis zijn, geen snoep aannemen van onbekenden, niet bij vreemde mensen aanbellen… Tot het 11 november is en je kind nou net díe dingen gaat doen die normaal in het ‘verboden rijtje’ staan.

Bij jonge kinderen loop je zelf als ouder nog mee. Maar zo in groep 4 of 5 komt het moment dat je kind zonder ouder erbij wil  ‘lichtje lopen’, gezellig met een groepje vriendjes of vriendinnetjes. Veel ouders vinden dat die eerste keer best een beetje eng. Maar met goede afspraken valt dat allemaal wel mee. Bovendien is het goed om je te realiseren dat er waarschijnlijk geen andere avond in het jaar is waarop de sociale controle ’s avond op straat zo groot is als op 11 november. Er zijn immers heel veel kinderen en volwassenen op pad.

De do’s en don’t voor een geslaagde Sint Maarten:

  • Maak duidelijke afspraken over de route die wordt gelopen. Stippel een route uit langs goed verlichte straten, waar normaal gesproken meer kinderen met lampionnetjes op pad zijn. Natuurlijk probeer je zoveel mogelijk bekenden van jouw kind en van de andere kinderen in het groepje op te nemen in de route. Spreek af in welke richting de route wordt gelopen. Op die manier kun je je kind gemakkelijk vinden als dat nodig is. Het hangt natuurlijk sterk van je woonomgeving af hoe strikt je deze afspraken wilt maken. Soms is ‘aan deze kant van de grote weg blijven’ al voldoende.
  • Spreek af hoe je kind en de rest van de groep zich dienen te gedragen. Kinderen in een groepje, vooral als ze stijf staan van suikers, kleurstoffen en adrenaline, gedragen zich soms net even wat anders dan je als ouder zou willen. Het kan geen kwaad om van te voren even te benadrukken dat Sint Maarten geen snoeprooftocht is met snelafgeraffelde liedjes en stukgescheurde lampions: er moet netjes gezongen worden en keurig worden bedankt. Uiteraard krijgen kleinere kinderen alle ruimte en rust om hun liedje te zingen. Bewoners van huizen waar niet wordt opengedaan, worden met rust gelaten. Dus niet op ramen bonzen of respectloze liedjes zingen (al vinden sommigen dat dit juíst ook bij de traditie hoort).
  • Geef je kind een mobiele telefoon mee, dan kan het jou bereiken om te overleggen als er toch van de route wordt afgeweken en jij kunt een keertje bellen om te vragen hoe het gaat.
  • Neem van tevoren een aantal ‘wat doe je als’-scenario’s door met je kind en het liefst met het hele groepje. Wat doe je als je binnen gevraagd wordt omdat daar het snoep ligt? Niet doen. Wat doen jullie als jullie onderweg ruzie krijgen? Toch bij elkaar blijven. Wat doe je als je nodig moet plassen? Niet bij vreemden vragen of je naar het toilet mag, maar altijd bij een goede bekende (en natuurlijk niet stiekem tegen een heg aanplassen!).
  • Geef je kind reservebatterijen mee voor in de lampion. Controleer ook even of de constructie van de lampion voldoende weers- en gebruiksbestendig is. Er worden soms prachtige lampions geknutseld op school, maar de ontwerpen zijn helaas niet altijd even gebruiksvriendelijk. Als je denkt dat de lampion het eind van de straat niet haalt, kun je overwegen een kant-en-klare (reverse)lampion mee te geven. Het is sneu voor je kind als het helemaal zonder lampion verder moet lopen (bovendien wordt dat ook niet altijd op prijs gesteld door de mensen bij wie wordt aangebeld).
  • Wens je kind veel plezier! Sint Maarten is een hartstikke leuk feest en voor veel kinderen is met een groepje langs deuren gaan in het donker, met het licht van de lampionnetjes en een steeds verder uitpuilende zak snoep een geweldige ervaring.

Tot welke leeftijd kan je kind Sint Maarten lopen?

Er komt een moment dat je kind te oud is om Sint Maarten te lopen. Die grens ligt zo rond een jaar of elf, tot en met groep 7. Groep 8 kan vaak nog nét, mits de kinderen niet voordringen, keurig zingen, netje bedanken en een lampion bij zich hebben. Brugklasser zijn echt te oud.

Er zijn wel verschillen per wijk of plaats. In de ene plaats kan het heel normaal zijn dat alle kinderen van de basisschool lampionnetje lopen, ergens anders kun je zomaar van de buurvrouw te horen krijgen dat ze je dochter van tien eigenlijk te oud vindt voor Sint Maarten.

Verder lezen

Checklist voor het 10-minutengesprek

Checklist voor het 10-minutengesprek

2 november 2017 | Reacties (1)

Het tienminutengesprek op school is het moment waarop je als ouder wordt bijgepraat over hoe het met je kind gaat op school. En waarop je zelf informatie uitwisselt met de leerkracht. Tien minuten zijn voorbij voor je er erg in hebt. Het is dus zaak de beschikbare tijd zo goed mogelijk te benutten.

Tien tips voor een succesvol tienminutengesprek:

1. Bereid het gesprek voor

Praat met je kind en met je partner. Welke zaken moeten aan de orde komen. Wat gaat goed en wat gaat minder goed? Maak eventueel een lijstje met punten die je wilt bespreken.

Ik vraag altijd van tevoren aan de kinderen wat ze verwachten dat de juf of meester over hen gaat zeggen tijdens het tienminutengesprek. Twan weet het meestal heel goed in te schatten. Iris dacht de vorige keer dat de juf zou zeggen dat ze te veel praatte in de klas. Toen haar juf zei dat Iris juist heel rustig is, hadden we echt iets om even over door te praten.
Ilonka, moeder van Iris (7) en Twan (10)

2. Voer het gesprek vanuit een positieve grondhouding

Zorg voor een goede sfeer door een positieve opmerking te maken of de leerkracht een complimentje te geven. Verplaats je in het standpunt van de leerkracht en toon waardering voor diens werk en deskundigheid. Benoem wat goed gaat en vraag de leerkracht dat ook te doen. Door je eigen houding kun je een prettige sfeer afdwingen.

3. Schroom niet, stel vragen

Als je niet oppast, verzuip je tijdens het tienminutengesprek in onderwijskundig vakjargon. Veel leerkrachten zijn zich niet eens bewust van de kenniskloof tussen henzelf en de ouders. Vraag gerust om uitleg als je iets niet begrijpt. Stel ook vragen als je vindt dat de leerkracht te vaag is. Wat verstaat de juf er precies onder als je zoon ‘heel druk’ is?

4. Iedereen is deskundig

Een tienminutengesprek is tweerichtingsverkeer. De leerkracht vertelt vanuit zijn of haar deskundigheid over je kind, jij doet hetzelfde vanuit jouw deskundigheid als ouder. Jij kent je kind als geen ander. Hoe gedraagt je dochter zich thuis? Wat vertelt je zoon over school? Is je kind heel visueel ingesteld, erg perfectionistisch of raakt het in de war van onverwachte situaties? Vertel het. Laat de leerkracht meedelen in jouw kennis, daardoor weet hij of zij beter waaraan jouw kind behoefte heeft. In de hoogste groepen mag je kind soms zelf aanwezig bij de tienminutengesprekken, net zoals dat op de middelbare school gebruikelijk is. Je kind is immers zelf ook deskundige!

5. Beschouw de leerkracht als bondgenoot

Ouders en leerkrachten hebben hetzelfde belang voor ogen: dat van jouw kind. Luister naar elkaar en voorkom dat je tegenover elkaar komt te staan, ook als je het oneens bent met wat de leerkracht zegt. Praat mét elkaar, niet tegen elkaar. Eenzelfde opstelling mag je ook van de leerkracht verwachten.

6. Blijf uit de sfeer van verwijten

Ga bij problemen niet op zoek naar een schuldige, maar zoek samen een oplossing. Waak ervoor dat je je door de leerkracht in de hoek laat zetten als het gaat om de opvoeding thuis, maar stel je wel open voor suggesties om je kind thuis te ondersteunen. Probeer kritiek te zien als een communicatieve onhandigheid van de leerkracht. Achter de kritiek schuilt als het goed is iets anders: de wens om tot een oplossing te komen, of de behoefte aan meer informatie over de thuissituatie. Formuleer ook je eigen kritiek als een vraag of observatie: “Kan het zo zijn dat…?”, “het valt me op dat…”, “ik kan me vergissen, maar…”

7. Reageer niet vanuit emoties

Loopt het gesprek moeizaam of voel je dat je erg boos of verdrietig wordt door wat je over je kind te horen krijgt, probeer dan niet te veel vanuit je emoties te reageren. Te heftige emoties kunnen een gesprek blokkeren of uit de hand laten lopen en daar schiet niemand iets mee op. Maak in zo’n geval liever een afspraak voor een vervolggesprek, eventueel met een derde gesprekspartner erbij.

Of de juf had haar dag niet, of ze vindt mijn kind echt niet leuk. Ik ben met een katterig gevoel teruggekomen van het tienminutengesprek. Ze had het steeds over ‘puntjes in het gedrag van Jesse’, maar als ik haar dan vroeg wat hij dan fout deed, deed ze heel vaag. Ik weet echt niet wat ik daarmee moet. Als alleenstaande ouder zit ik daar dan ook helemaal alleen. De volgende keer neem ik mijn moeder mee, denk ik.
Mara, moeder van Jesse (7)

8. Wees realistisch

Als ouder wil je graag zo veel mogelijk details te weten komen over je kind, maar voor een leerkracht die in een week tijd dertig kinderen moet bespreken is het onmogelijk om alles over iedereen paraat te hebben. Bovendien is de beschikbare tijd maar beperkt. Toon hier begrip voor, maar blijf wel kritisch. Een goede leraar heeft het gesprek goed voorbereid, heeft materialen van je kind klaarliggen en weet iets persoonlijks te vertellen over je kind. Hetzelfde geldt wanneer er problemen zijn. In de meeste gevallen is het niet realistisch om te verwachten dat een probleem morgen is opgelost, maar je mag wél verwachten dat er op korte termijn een plan van aanpak komt.

9. Maak duidelijke afspraken

Zorg dat afspraken die gemaakt worden duidelijk zijn en zet ze eventueel op papier.

10. Vertel je kind over het gesprek

Kinderen vinden het vaak reuze spannend wat hun ouders en hun leerkracht samen allemaal bespreken. Vertel je kind over het gesprek, leg uit wat er is besproken en waarom dat belangrijk voor hem of haar is.

We gaan er altijd braaf heen, maar die tienminutengesprekken voegen weinig toe. Alleen het eerste gesprek met een nieuwe leerkracht is even spannend, maar daarna hoor je elke keer ongeveer hetzelfde.
Tamara, moeder van Lindy (6) en Björn (10)

Samen of alleen naar het tienminutengesprek?

Het is fijn om met z’n tweeën naar het tienminutengesprek te gaan, ook al betekent het dat je oppas moet regelen. Als je echt geen bijzonderheden verwacht, kan één ouder alleen het ook wel af. Als het nodig is, kun je altijd nog een vervolgafspraak maken waarbij je partner ook aanwezig kan zijn. Sla de tienminutengesprekken niet helemaal over. Komt de tijd waarop je bent ingeroosterd je niet uit? Vraag dan of je op een ander tijdstip kunt komen. Zorg dat je op tijd bent voor het tienminutengesprek, anders loopt het hele tijdsschema in het honderd.

Verder lezen

Als rood en groen hetzelfde zijn

Als rood en groen hetzelfde zijn

24 oktober 2017 | Reacties (0)

Kleur speelt een heel belangrijke rol op school, vooral in de laagste groepen. Niet alleen bij de expressievakken, maar ook bij leeractiviteiten. Maar wat als je kind kleurenblind is en de kleuren niet goed ziet?

Links: gewoon. Rechts: zo ziet een kind dat kleurenblind is dit plaatje.

 

Vooral jongens zijn kleurenblind

Kleurenblindheid is een aandoening die veel voorkomt, maar waar erg weinig aandacht voor is. Vraag je aan een leerkracht welke kinderen in de klas dyslectisch zijn, dyscalculie hebben of ADHD, dan wijst deze hen probleemloos aan. Vraag je wie er kleurenblind is, dan blijven veel leerkrachten het antwoord schuldig. Laat staan dat de meester of juf paraat heeft met wélke kleuren de leerling precies problemen heeft. En dat terwijl zo’n acht procent van alle jongens kleurenblind is (meisjes zijn bijna nooit kleurenblind) – een veel hoger percentage dan bij andere leerproblemen!

Kleurenblindheid is vooral lastig

Voor een deel zal het ermee te maken hebben dat kleurenblindheid meestal geen onoverkomelijke obstakels voor het leren oplevert. Het is echter wel een ontzettend lastige aandoening, vooral omdat kleurenblinde kinderen vaak zelf niet door hebben dat ze iets missen of iets anders zien.

Weinig kennis over kleurenblindheid

Helaas is op de meeste basisscholen weinig kennis over kleurenblindheid; een leerkracht die er niet bewust op let, zal het vaak niet herkennen, maar eerder concluderen dat je kind de kleuren nog niet herkent of bepaalde taakjes niet begrijpt. Een paar voorbeelden van welke misverstanden er kunnen ontstaan:

  • Je kleuter moet een ketting rijgen van twee rode gevolgd door drie groene kralen en bakt er helemaal niets van. Veel leerkrachten denken in zo’n situatie niet gelijk aan kleurenblindheid: ‘Hij zal de kleurennamen nog wel niet kennen…’ Of ‘het tellen is nog te moeilijk…’ Of ‘hij heeft nog niet voldoende concentratie om taakgericht bezig te zijn’. Terwijl jouw kleurenblinde zoon het taakje met blauwe en gele knikkers misschien wel probleemloos zou uitvoeren.
    Rode en groene kralen?

    Rode en groene kralen?

  • Je zoon doet in groep 4 een begrijpendlezenlesje over kabouters met rode en groene mutsen. Hij komt in de problemen als hij op de plaatjes met antwoorden die hij moet onderstrepen uitsluitend kabouters met bruinige mutsjes ziet – omdat rood, groen en bruin voor hem nu eenmaal één pot nat zijn. Hij zet op de gok een streep en heeft het fout. Als de leerkracht niet weet dat hij kleurenblind is, zal de conclusie al snel zijn dat dat je kind de tekst niet heeft begrepen. Als de juf zich van zijn kleurenprobleem bewust is, kan ze door even met hem te praten achterhalen of hij de tekst wel of niet heeft begrepen.
  • Je zoon in groep 8 maakt een taak met ontleden. Hij moet een rode streep zetten onder de persoonsvorm en een groene streep onder de werkwoorden. Misschien vraagt de juf, heel alert, nog even aan je zoon of het kleurgebruik problemen voor hem oplevert. ‘Nee hoor’, antwoordt jouw prepuber, die vooral niet wil opvallen, met een puberaal staaltje zelfoverschatting, ‘déze rood en groen kan ik wel uit elkaar houden’. Tja, dan komen al die fouten dus toch doordat hij het ontleden niet begrijpt, concludeert de juf. Ze schrijft hem op de lijst van kinderen die extra moeten oefenen met ontleden. Als hij dat nodig heeft, prima natuurlijk. Maar misschien had ze je zoon eerst nog even een herkansing moeten geven zonder de invloed van kleuren.

Als de leerkracht niet voldoende gespitst is op kleurenblindheid (en je kind geeft het zelf ook niet goed aan), kunnen problemen of misverstanden die worden veroorzaakt door kleurenblindheid blijven bestaan. Terwijl ze vaak heel eenvoudig op te lossen zijn als iedereen zich bewust is van het probleem.

Schoolarts test op kleurenblindheid

In groep 2 wordt je kind bij de schoolarts meestal getest op kleurenblindheid. Vraag specifiek om zo’n onderzoek als je vermoedt dat je kind kleurenblind is, want sommige schoolartsen voeren het onderzoek niet meer standaard uit.

Kleurenblindheid is een erfelijke aandoening, die verschillende vormen kent. Als je kind kleurenblind is, wil dit niet zeggen dat hij helemaal geen kleuren kan zien, maar wel zal hij moeite hebben met het onderscheid tussen bepaalde kleuren. Welke kleuren dat zijn en in welke mate, verschilt van persoon tot persoon, iets wat kleurenblindheid voor niet-kleurenblinden nog ingewikkelder maakt om te begrijpen.

De meeste kleurenblinden hebben moeite met rood en groen, maar soms ook met roze en grijs of blauw en paars. Probeer erachter te komen hoe jouw kind de kleuren ziet en geef eventueel een lijstje aan de leerkracht zodat die er alert op kan zijn.

Zelf testen?

Heb je het vermoeden dat je kind kleurenblind is? Dan kan de huisarts of het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) je kind testen. Dat kan pas vanaf 4 jaar, omdat het voor peuters nog moeilijk is om kleuren van elkaar te onderscheiden.
Vaak wordt kleurenblindheid vastgesteld door middel van de Ishihara-test. Die test bestaat uit een set kaarten met gekleurde stippen, waarin in een afwijkende kleur voor niet-kleurenblinden een cijfer of plaatje te zien is, zoals deze

test-kleurenblindheid-ishihara

Deze test (en andere testen) kun je online ook vinden, bijvoorbeeld op kleurenblindheid.nl. Hoewel zo’n test op internet je goed kan helpen om na te gaan of je vermoeden dat je kind kleurenblind is ergens op gestoeld is, is het geen helemaal waterdicht bewijs. Wil je het echt zeker weten en wil je ook inzicht in de mate en vorm van kleurenblindheid van je kind, dan is het verstandig om de test bij een arts te herhalen.

Ongeveer acht procent van de jongens (en 0,4 procent van de meisjes) is kleurenblind, wat inhoudt dat ze moeite hebben met het onderscheid tussen bepaalde kleuren als rood-bruin-groen en blauw-roze-grijs. Kleurenblindheid is erfelijk. Wees dus extra alert als kleurenblindheid in je familie voorkomt.

 

Kleuren en school: 5 tips voor als je kind kleurenblind is

1. Vertel de leerkracht dat je kind kleurenblind is

Vraag de juf of meester om alert te zijn op problemen die kleurenblindheid kan opleveren. Ga na wat de leerkracht weet van kleurenblindheid. Geef voorbeelden van problemen waar je kind tegenaan kan lopen. Vertel ook dat je kind zelf niet altijd de meest betrouwbare persoon is om aan te geven of de kleuren een probleem zijn: als kleurenblinde kan je kind soms immers helemaal niet doorhebben dat hij of zij iets niet ziet. Heel verduidelijkend zijn foto’s waarin het beeld van een kleurenblinde wordt gesimuleerd:

Zo (rechts) ziet een bak kraaltjes eruit voor een kleurenblinde die moeite heeft met rood en groen.

Zo (rechts) ziet een bak kraaltjes eruit voor een kleurenblinde die moeite heeft met rood en groen.

En zo kunnen die kraaltjes eruit zien bij een kind blauwtinten anders ziet

En zo kunnen diezelfde kraaltjes eruit zien bij een kind dat blauwtinten anders waarneemt.

Hoewel elke kleurenblinde de kleuren anders ziet, en zo’n foto dus slechts het beeld is van één kleurenblinde, geven dit soort foto’s wel een heel goed idee van hoe een kind dat kleurenblind is de wereld ziet. Voor veel leerkrachten is dit een echte eye-opener.

Herhaal dit gesprekje elk schooljaar. Een aantekening ‘is kleurenblind’ in het leerlingdossier is vaak niet voldoende om de leerkracht op scherp te krijgen.

2. Praat erover met je kind

Veel kinderen die kleurenblind zijn, ontwikkelen allerlei trucjes om met hun kleurenblindheid om te gaan. Hoewel dit op zich natuurlijk hartstikke slim is, is het nog veel gemakkelijker – en vaak ook verstandiger – om het ook gewoon hardop te zeggen als je de kleuren niet kan zien…

3. Plak stickertjes op kleurpotloden

Koop een doos met kleurpotloden voor je kind en plak op de potloden een stickertje met de naam van de kleur. Kan je kind nog niet lezen? Dan kun je samen kleine tekeningetjes afspreken die als kleur-icoontjes dienst kunnen doen. Denk aan: een boompje voor donkergroen, grassprieten voor lichtgroen, een zonnetje voor geel, golfjes water voor blauw en een varkentje voor roze.

4. Laat je kind een spreekbeurt houden over kleurenblindheid

Kinderen die kleurenblind zijn, worden door klasgenoten vaak voortdurend uitgedaagd om kleuren te benoemen. Omdat ze niet met alle kleuren moeite hebben, geloven klasgenootjes vaak niet dat ze kleurenblind zijn. Of ze denken ten onrechte dat je kind dom is omdat het de kleuren nog niet ‘kent’. Een spreekbeurt waarin je kind uitlegt wat kleurenblindheid inhoudt, maakt veel duidelijk.

5. Speciale versie van de eindtoets in groep 8

Bij de eindtoets in groep 8 wordt rekening gehouden met kinderen die kleurenblind zijn. Herinner de leerkracht er tijdig nog even aan dat je kind kleurenblind is, dan weet je zeker dat je kind geen boekje voor zijn neus krijgt met kleuren die hij niet goed kan zien.
Van de papieren editie van de centrale eindtoets (Cito) is een speciale zwart-wit versie voor kinderen die kleurenblind zijn. De online Cito-eindtoets geeft geen problemen voor kleurenblinden. Hetzelfde geldt voor de eindtoets van ROUTE8. Van de IEP Eindtoets is een zwart-wit uitgave van de opgavenboekjes beschikbaar.

Verder lezen

7 redenen om je kind strips te laten lezen

7 redenen om je kind strips te laten lezen

16 oktober 2017 | Reacties (0)

“Ga nou eens een écht boek lezen!” Het was eruit voor je er erg in had. ’t Was alsof je je moeder hoorde praten toen je vroeger met de Donald Duck op de bank de hing, net zoals je negenjarige zoon nu.

kinderen lezen strips donald duck

Stripboeken zijn geen ‘echte boeken’. Het is een stemmetje dat bij veel ouders nog altijd in het achterhoofd zingt. Maar het is de hoogste tijd om dat stemmetje nu eens voor eens en voor altijd de mond te snoeren. Want met strips lezen is niets mis. Sterker: kinderen leren juist heel veel van strips lezen. Verderop in dit artikel geven we je zeven redenen (maar er zijn er meer) om je kind strips te laten lezen.

Taalarmoede en bederf van leeslust

Maar eerst duiken we de geschiedenis in om te bekijken waarom strips zo’n kwade reuk hebben gekregen, want dat is een interessant verhaal. Zeker als je bedenkt dat de geschiedenis zich min of meer heeft herhaald met achtereenvolgens de televisie, videogames, computerspellen en tablets… Allemaal werden ze weggezet als voor de jeugd verderfelijke uitvindingen van de nieuwe tijd. Totdat later het inzicht kwam dat ze best meevallen en, sterker nog, eigenlijk best een positieve invloed kunnen hebben, ook op educatief gebied.

Beeldverhalen bestaan er al langer, maar het eerste echte stripboek verschijnt in 1933 in Amerika: Famous Funnies. Het nieuwe genre wordt in korte tijd razend populair bij de jeugd. In jaren veertig leest 90 procent van de kinderen tussen 6 en 11 jaar gemiddeld vijftien stripboekjes per maand. Laat de cijfers even tot je doordringen: het is echt een indrukwekkende hoeveelheid (veel)lezende kinderen. Hedendaagse leesbevorderingsprojecten kunnen alleen maar dromen van dit soort cijfers.

Ook de Nederlandse jeugd omarmt het stripboek. Maar er is ook veel weerstand. Strips zouden de leeslust bederven (vertaal: het lezen van ‘echte boeken’), taalarmoede in de hand werken en de overmaat aan prikkelende beelden zou de fantasie afstompen. Dat er in strips in die tijd veel spelfouten staan, maakt het er niet beter op. In 1949 verbant de minister van Onderwijs strips uit het basisonderwijs. In 1952 verschijnt het overheidsrapport Maatschappelijke verwildering der jeugd, waarin de stripcultuur er stevig van langs krijgt.

‘Deze kinderen worden stripkinderen’

Amper vijf weken nadat schrijfster Annie M.G. Schmidt haar eerste Jip en Janneke-verhaaltje publiceert, komt in 1952 de eerste Nederlandse Donald Duck uit. Annie M.G. Schmidt moet er weinig van hebben:

“Het is een tijdschrift, dat hoofdzakelijk door strips wordt gevuld. Het is niet onzedelijk, het niet verderfelijk, het is alleen maar lelijk. Afschuwelijk lelijk, het is smakeloos, en het is lorrig. Maar alle kinderen vliegen erop af, omdat het kleur is en omdat het gek is. Ze moeten om de dierkarikaturen lachen, ze vinden het allemaal erg lollig. Ze gieren om de banale grapjes, want ze hebben nooit iets beters waar ze om lachen kunnen. Ik kijk het prul even in en ik moet niet lachen. Ik moet huilen. Huilen omdat dit blaadje in een oplaag van meer dan honderdduizend exemplaren verspreid wordt in het land, terwijl er geen geld is voor een goed kinderblad. Deze kinderen zullen behalve het stripblad ook nog de strips in de krant bekijken. En de strips in het damesblad van hun moe. En verder niets. Ze gaan later naar de film, of kijken naar de televisie, en zien daar ook een soort van strips, even smakeloos, even banaal, even harteloos, even cliché. Deze kinderen worden stripkinderen en later worden het stripmensen.”

(Uit: Van schuitje varen tot Schendel, 1954)

Stripmensen, zo veel moge duidelijk zijn, zijn geen ‘echte lezers’.

Verband tussen strips en geweld, drugs en homoseksulateit

Dat de Donald Duck-redactie zich bewust is van hoe negatief er naar strips werd gekeken, blijkt wel uit het voorwoord van dat eerste nummer. Oom Donald spreekt de lezertjes streng toe:

 “Ik ken jullie wel zo’n beetje en dus weet ik, dat de meesten van jullie allesbehalve brave Hendrikken en Henrina’s zijn. Jullie ouders en onderwijzers (om nog maar niet te spreken van politie-agenten!) hebben veel met jullie te stellen en dat is te begrijpen, want de jeugd van Nederland staat bekend als tamelijk baldadig en lastig. Er moet voortdurend op jullie gelet worden en nog veroorzaken jullie heel wat verdriet en narigheid.”

Het is in deze tijd dat de invloedrijke Amerikaans-Duitse psychiater Fredric Wertham zijn succesvolle kruistocht tegen het stripboek voert. Hij betoogt dat er een wetenschappelijk verband is tussen strips en misdadig gedrag, drugsgebruik en homoseksualiteit en publiceert daarover in 1954 de bestseller Secuding the Innocent.

Werthams boek leidt ertoe dat in Amerika de zogeheten Comics Code van kracht wordt, waardoor hoofdredacteuren aan zelfcensuur gaan doen, en dat de beweging die stripboeken voor de jeugd wil verbieden veel aanhang krijgt.

In 2010 werd het onderzoeksmateriaal van Werthams vrijgegeven: hij bleek er een nogal frauduleuze onderzoekersstijl op nagehouden te hebben. De ‘bewijzen’ die hij in zijn boek aanhaalde, bestonden helemaal niet. Maar dat blijkt pas een halve eeuw nadat de strip heel diep in het verdomhoekje terecht is gekomen.

Vergif voor de jeugd

Wertham heeft in Nederland minder invloed dan in Amerika. De Nederlandse strips zijn, het voorwoord uit de eerste Donald Duck getuigt daarvan, een stuk braver dan de typisch Amerikaanse comic books in de jaren veertig en vijftig. Maar de gedachte dat beeldverhalen ‘vergif voor de jeugd’ zijn (zoals toenmalig minister van onderwijs Theo Rutten in 1948 stelde), heeft wortel geschoten.

Een brochure van het Vlaamse ministerie van onderwijs uit 1955 vat de bezwaren als volgt samen:

“Bezwarend voor het merendeel der huidige geïllustreerde tijdschriften is echter het feit dat zij als het ware én het beeld én de taal van het beeld ontwaarden. Daarenboven gaat deze waardevermindering van het hedendaagse geïllustreerd kinderblad gepaard met de anarchistische aanwending van het beeld, dat de overhand heeft op de tekst. Deze is slechts een secundair element, een soort verbasterd taaltje, dat bestaat uit tussenwerpsels en geluidsnabootsingen, die eerder primitief instinct en brutale sensatie weergeven dan gevoeligheid suggereren.”

(Bron: Een land van waan en wijs, geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur)

In een degelijke boekwinkel of bibliotheek, laat stáán een school, is voor stripboeken in de jaren veertig en vijftig dan ook geen plek. Onder invloed van pedagogen, bibliothecarissen en leraren verbieden veel ouders hun kind om strips te lezen.

Dat alles is dus de culturele bagage die wij onbewust nog meedragen en waardoor dat stemmetje in ons hoofd begint te piepen dat onze kinderen beter iets anders zou kunnen lezen dan strips…

En dat terwijl in de jaren zestig bij deskundigen het beeld al begint te kantelen. Het educatief gebruik van het stripverhalen als onderdeel van het (taal)onderwijs komt vanaf dan sterk in opmars. Het begint leraren op te vallen dat leerlingen die strips lezen beter zijn in taal. Inmiddels liggen er stapels wetenschappelijk bewijs waaruit blijkt dat het lezen van strips heel leerzaam is voor kinderen.


7 redenen om je kind strips te laten lezen

 

1. Strips geven leesplezier

Strips lezen doe je voor je plezier. Zo simpel is het. De lol die het lezen van een strip oplevert, merkt je kind dat lezen hartstikke leuk kan zijn. Voor veel kinderen is een boek lezen een hele opgave, die ze liever uit de weg gaan. Strips zijn een ideaal middel om de drempel tot lezen te verlagen en ook nog eens heel wat leeskilometers te maken.


2. Strips zijn goed voor de woordenschat

Strips staan vol met moeilijke woorden. De oogst uit een paar pagina’s Donald Duck: zilverpoets, zakeninstinct, gigantisch, zich wagen in, bij de reis inbegrepen, carillon, op voorwaarde dat, sokkel, hebzuchtig, gedachten uitbannen.

Vergeleken met bijvoorbeeld AVI-boekenschrijvers kunnen stripmakers veel gemakkelijker moeilijke woorden gebruiken. Je zou misschien denken dat kinderen woorden die ze niet kennen gewoon overslaan tijdens het lezen, maar dat blijkt niet zo te zijn. Omdat de teksten in strips zo compact zijn, is elk woord belangrijk. Nieuwe woorden die een kind tegenkomt in de tekst van een strip worden ondersteund door een plaatje en een context, waardoor een kind de betekenis gemakkelijk kan achterhalen.

Uit een onderzoek van de Journal of Child Language is dan ook gebleken dat een kind in een stripboek maar liefst twee keer zoveel nieuwe woorden leest als in een gemiddeld kinderboek. Het stripboek lijkt zelfs de educatieve waarde van een gemiddelde gesprek met een volwassene voorbij te streven, want een kind leert in een stripboek maar liefst vijf keer zoveel nieuwe woorden.


3. Strips helpen verhaalstructuren doorgronden

Of het nu om een stripboek gaat met één lang verhaal of met een verzameling losse verhaaltjes: strips hebben altijd een duidelijke verhaallijn. Oorzaak en gevolg en probleem en oplossing zijn duidelijk te herkennen. De personages zijn karikaturaal, waardoor ze voor kinderen heel gemakkelijk te duiden zijn.

Strips nemen lezers bij de hand wanneer sprongen in tijd of ruimte worden gemaakt. Er staan aanwijzigen als ‘Een week later…’  of ‘Weer thuis…’. Kinderen raken hierdoor vertrouwd met dit soort verteltechnieken, waardoor ze deze – ook in boeken waar ze minder expliciet worden uitgelegd – kunnen begrijpen.

 

4. Strips zijn goed voor de algemene kennis

Lezen is niet het enige wat kinderen leren van stripboeken. Ze doen ook een schat aan algemene kennis op. Neem alleen al Asterix en Obelix: generaties gymnasiasten hebben tijdens hun schoolcarrière profijt gehad van alle kennis over de Oudheid die ze via deze strip hadden opgedaan. Stripfiguren reizen de hele wereld over en beleven allerlei avonturen. Als Suske en Wiske naar Londen gaan, ziet je kind deze wereldstad voor zich in de plaatjes.

 

5. Strips dwingen tot scherp observeren

Sommige strips bevatten veel woordgrapjes, bij andere zit de humor juist vooral in de plaatjes. Om de grap te begrijpen, moet je kind overal goed op letten: woorden, gezichtsuitdrukkingen, lichaamstaal. Daardoor leert je kind goed observeren.

 

6. Plaatjes helpen zwakke kinderen

In strips vullen tekst en beeld elkaar volledig aan. Zwakke lezers, maar ook beelddenkers, kunnen soms verzuipen in een pagina vol letters en woorden. Strips kunnen voor hen een verademing zijn. Het lezen wordt volledig ondersteund door plaatjes, waardoor het verhaal gemakkelijker te begrijpen is. De tekst wordt opgedeeld in korte stukjes, die ook voor zwakke lezers behapbaar zijn. Daarnaast zijn de zinnen over het algemeen kort.

 

7. Strips geven leeszelfvertrouwen

De meeste strips verschijnen in serievorm. Ze zijn daardoor min of meer hetzelfde. Wie met succes één deel heeft uitgelezen, kan erop vertrouwen dat het met een ander deel ook wel zal lukken. Gaandeweg ontdekken kinderen dat ze er steeds meer uit halen: ze begrijpen het verhaal beter, krijgen meer details mee, kunnen verhaallijnen voorspellen, doorzien de humor beter. Dat is een geweldige boost voor hun leeszelfvertrouwen.

 

Verder lezen

Kinderboekenweek: hoe kies je een boek?

Kinderboekenweek: hoe kies je een boek?

4 oktober 2017 | Reacties (2)

Naar de boekwinkel gaan om een nieuw boek uit te zoeken in de Kinderweek, is in veel gezinnen een vaste traditie. Maar hoe zoek je nu eigenlijk een boek uit?

Sommige kinderen weten precies welk boek ze willen lezen. Het tiende deel in de Leven van een loser-serie. Of De gorgels, van Jochem Myer, omdat iedereen in de klas dat heeft gelezen. Of Meester Kikker van Paul van Loon, want de film was zo leuk.

Kinderen die graag en veel lezen, kunnen bij het kiezen van een boek vaak aansluiten bij eerdere leeservaringen. Maar voor kinderen die minder lezen, die hun eigen leessmaak nog aan het ontdekken zijn of die toe zijn aan iets nieuws, kan het behoorlijk lastig zijn om een leuk boek te vinden. Het aanbod is zo groot: hoe vind je als kind een boek dat bij je past?

‘Kinderen die een hekel hebben aan lezen bestaan niet. Ze hebben alleen het juiste boek nog niet gevonden’ (Frank Serafini)

Gelukkig zijn de boeken in boekwinkels en bibliotheken al een beetje voorgesorteerd: ze zijn globaal ingedeeld op leeftijd. Maar dan nog blijft het aanbod overweldigend. Bij het kiezen kan je kind afgaan op titel, plaatjes, de tekst op de achterkant, of een stukje lezen in het boek. In zekere zin blijft het kiezen van een boek altijd een gokje: je weet pas of een boek leuk is, als je het hebt gelezen. En dat is spannend, maar maakt het kiezen tegelijkertijd ook juist zo leuk.

Vertel hoe je zelf een boek kiest

Deel als ouder je eigen ervaringen met het uitzoeken van een boek. Hoe ga jij te werk? Vraag je anderen om boekentips? Heb je een lijstje met boeken waarover je iets hebt gehoord of gelezen? Waar let jij op als je in de boekwinkel of in de bibliotheek staat? Maar ook: hoe ervaar jij het als een boek tegenvalt? Vind je dat erg, of ben je blij dat je het boek toch hebt geprobeerd? Kies jij de veilige weg bij het uitzoeken van boeken of durf jij je te laten verrassen door een onbekende schrijver of een nieuw genre? Heb je wel eens een boek gelezen dat je van tevoren eigenlijk niet zo leuk leek, maar juist geweldig bleek te zijn?

Ook leuk: praat eens met opa en oma over hoe het in hun tijd ging. Wat voor soort kinderboeken waren er in hun jeugd? Hoeveel vrijheid om te kiezen hadden zij? Hadden zij favoriete boeken of schrijvers en welke dan? Is er een kinderboek dat hen altijd is bijgebleven, of dat ze op volwassen leeftijd nog eens hebben herlezen?

Lezen is een individualistische bezigheid, maar ‘een lezer zijn’ is dat niet. Door ervaringen uit te wisselen, wordt het lezen leuker en krijgt je kind handvatten aangereikt die hem of haar als lezer verder kunnen vormen.

Online hulp bij het uitzoeken van een kinderboek

Voor wie graag wat meer houvast heeft bij het uitzoeken van een boek, zijn er handige websites die hulp bieden bij het zoeken naar geschikte kinder- of jeugdboeken. Een aantal ‘boekzoek-websites’ op een rij:

Boekenzoeker

boekenzoeker

Op de praktische en mooi vormgegeven website Boekenzoeker staan niet alle kinderboeken, maar een selectie. Deze wordt gemaakt door een Nederlands-Vlaamse redactie, waarin zowel mensen uit het onderwijs, de bibliotheek en boekhandels zitten, als recensenten en andere boekenliefhebbers/kenners. De redactie houdt bij haar keuze in de eerste plaats rekening met de aanbevelingswaarde van een boek en de kwaliteit ervan.

De site is opgedeeld in vier leeftijdscategorieën, met elk hun eigen vormgeving en mogelijkheden. Kinderen (of ouders) kunnen boeken zoeken door te selecteren op interesses, onderwerpen en stemmingen. Wie zich op de site registreert, kan een nog persoonlijker leesadvies krijgen.

Ik vind lezen leuk

Sinds eind 2013 verzamelt leesbevorderaar Mathilde Talens recensies over kinder- en jeugdboeken op de webstie Ikvindlezenleuk. Het leuke aan deze website is dat er veel recensies op staan van kinderen, die zelf een aantal sterren toekenen aan een boek. De boeken staan gerangschikt op leeftijdscategorie. Er wordt aan gewerkt om de recensies ook via genre-aanduidingen te ontsluiten, wat de site nog geschikter gaat maken om al grasduinend nieuwe boeken te ontdekken. Wie al een boek op het oog heeft en benieuwd is naar wat andere kinderen ervan vonden, kan met de zoekfunctie ook goed uit de voeten.

Jaap Leest

Jaap Friso is een lezer en zijn liefde voor lezen is voelbaar op zijn website JaapLeest. Hij bespreekt er nieuwe kinder- en jeugdboeken en brengt boekennieuws. De recensies staan handig gerubriceerd op leeftijd en geven aspirant-lezers van de boeken precies de informatie waarnaar ze op zoek zijn. Hoe ziet het boek eruit, wie is de schrijver, wat is de achtergrond van het boek, is het goed geschreven? De recensies zijn van hoge kwaliteit, maar niet specifiek geschreven voor kinderen.

website jaapleest

Mevrouw Kinderboek

Mevrouw Kinderboek geeft tips om boeken te kiezen voor kinderen tot twaalf jaar, van prentenboeken tot boeken die pasen bij een thema van school of thuis. De site is bedoeld voor (groot)ouders, leerkrachten en bibliotheekmedewerkers, maar is zeker ook leuk voor kinderen om eens rond te neuzen. Mevrouw Kinderboek zet kinderen (van 4 tot 12 jaar) in als testlezer, die hun eerlijke oordeel vellen over boeken.

website mevrouw kinderboek

 

Hoe weet je of een boek niet te moeilijk is?

Bij het kiezen van een boek is het vooral belangrijk dat je kind een boek uitzoekt dat hem of haar echt leuk lijkt om te lezen. Staar je dus niet blind op AVI-niveaus, die zijn echt niet zo belangrijk. Kinderen die zelf gemotiveerd zijn om een bepaald boek te lezen, redden zich ook met moeilijke boeken. Maar als een boek echt té moeilijk is, zal het niet gaan.

Een handige test waarmee je kind zelf kan controleren of een boek te moeilijk is, is de vijfvingertest. Je kind leest één bladzijde in het boek om het niveau te bepalen. Voor het lezen begint, steekt je zoon of dochter vijf vingers omhoog. Bij elk woord dat moeilijk te lezen of onbekend is, moet één vinger naar beneden. Als aan het eind van de bladzijde alle vingers naar beneden zijn, is het boek waarschijnlijk nog wat te moeilijk. Twee of drie vingers naar beneden is geen probleem.

 


Update: 9 oktober 2017

Verder lezen