• aanleren van de juiste pengreep

    Ouders vinden leren schrijven nog steeds belangrijk

    | 15 mei 2017 | Reacties (0)

    Leren schrijven? Met een pen? Dat is toch achterhaald in deze digitale tijd! Als het gaat om leren schrijven, hoor je dit soort opmerkingen vaak. Toch vinden ouders het tegenwoordig nog steeds belangrijk dan hun kind goed met de hand leert schrijven. Dat blijkt uit een onderzoek van pennenfabrikant Stabilo, die in Duitsland 1700 ouders […]

aanleren van de juiste pengreep

Ouders vinden leren schrijven nog steeds belangrijk

15 mei 2017 | Reacties (0)

Leren schrijven? Met een pen? Dat is toch achterhaald in deze digitale tijd! Als het gaat om leren schrijven, hoor je dit soort opmerkingen vaak. Toch vinden ouders het tegenwoordig nog steeds belangrijk dan hun kind goed met de hand leert schrijven. Dat blijkt uit een onderzoek van pennenfabrikant Stabilo, die in Duitsland 1700 ouders en ruim 500 kinderen naar hun mening vroeg.

aanleren van de juiste pengreep

De online enquête, uitgevoerd door het Duitse communicatiebureau Rabach Kommunikation in november 2016, wijst uit dat het handschrift geen aflopende zaak is, maar een belangrijke basisvaardigheid in het dagelijks leven. Weliswaar is de digitalisering al jaren niet meer weg te denken, toch schrijft bijna 80% van de 1.187 ondervraagde volwassenen en meer dan 93% van de 536 ondervraagde kinderen in de leeftijd van 6 tot 10 jaar dagelijks meerdere keren met de hand.

Bovendien is een handschrift veel meer dan alleen maar een aaneenschakeling van letters en cijfers. Het biedt de mogelijkheid je persoonlijkheid te tonen of uitdrukking te geven aan je emoties. Bijna 90% van de ondervraagde ouders en kinderen denkt dat aan een handgeschreven tekst meer waarde wordt gehecht. Bovendien is 91% van zowel de ondervraagde ouders als de ondervraagde kinderen het met de stelling eens dat ze baat hebben bij het afvinken en wegstrepen van handgeschreven taken op een to-do-lijst.

Verband tussen schoolprestaties en vloeiend schrijven

Op de vraag wat voor de ondervraagde ouders en kinderen bij het handmatig schrijven het belangrijkste is, staat bij beide groepen het verlangen om pijnloos en zonder verkramping te kunnen schrijven op de eerste plaats. Ook wordt belang gehecht aan het moeiteloos en vloeiend kunnen schrijven en de leesbaarheid van het handschrift. Mooi kunnen schrijven komt voor zowel de ouders als de kinderen op de laatste plaats. Ook werd de relatie tussen het beheersen van een vloeiend handschrift en de schoolprestaties onderzocht. Ongeveer 90% van de ouders en kinderen zijn ervan overtuigd dat een vloeiend handschrift de schoolprestaties sterk tot zeer sterk beïnvloedt. Wetenschappers en pedagogen beschouwen de elementaire schrijfvaardigheid al langer als een doorslaggevende factor, naast rekenen en lezen.

Aanvullende schrijfoefeningen voor thuis of op school

Oefenboekje leren schrijven StabiloUit onderzoek blijkt dat kinderen die in totaal slechts een uur per week spelenderwijs oefenen met schrijfmotoriek, aantoonbaar sneller en beter leren schrijven. Om kinderen, ouders en pedagogen bij het leren schrijven te ondersteunen, biedt STABILO Education verschillende oefenboekjes aan waarmee kinderen vanaf 4 jaar spelenderwijs de belangrijkste vaardigheden op het gebied van schrijfmotoriek kunnen oefenen. De kleurrijk geïllustreerde oefenboekjes met de titels ‘Klaar om te leren schrijven’ (groep 1 en 2) en ‘Makkelijker leren schrijven’ (groep 3 en 4) zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en samen met leerkrachten ontwikkeld. De kinderen gaan in de boekjes mee op een spannend avontuur met ‘De 4 Avontuurlijke Vrienden’. Zij helpen de 4 vrienden door het uitvoeren van uitdagende opdrachten en oefenen tegelijkertijd de belangrijkste vaardigheden van de schrijfmotoriek: druk, tempo, vorm en ritme. De oefeningen worden afgewisseld met leuke verhaaltjes en creatieve knutselopdrachten.

De boekjes zijn verkrijgbaar bij Heutink.

 

 

Verder lezen

Van Citoscore naar diploma

Hogere scores op centrale eindtoets

10 mei 2017 | Reacties (0)

De centrale eindtoets is dit jaar beter gemaakt dan vorig jaar. Dat meldt het College voor Toetsten en Examens, die deze eindtoets afneemt. De gemiddelde behaalde score ligt dit jaar met 535,6 iets hoger dan in 2016, toen gemiddeld 534,9 werd behaald. Vijf leerlingen maakten de toets foutloos, tegenover 0 in 2016.

Dit jaar behaalden de leerlingen gemiddeld een standaardscore van 535,6, een score die past bij het schooladviesgemengde/theoretische leerweg en havo. In 2016 was gemiddelde score 534,9. Vorig jaar maakte geen enkele leerling de toets foutloos, dit jaar lukte dat vijf kinderen. Het CvtE onderzoekt nog hoe het komt dat leerlingen dit jaar iets hoger scoren.

Ruim 22.000 minder kinderen maken centrale eindtoets

Hoewel de afname van een eindtoets in groep 8 verplicht is, hoeft dit niet per se de Centrale Eindtoets te zijn, die in opdracht van CvTE is gemaakt door Cito. Ongeveer 40 procent van de scholen kiest voor een van de andere eindtoetsen, zoals IEP en Route8. Ten opzichte van vorig jaar daalde het aantal leerlingen dat de Centrale Eindtoets maakte met 22.000.

 

Hoe kan het dat deze uitslag al bekend is? Mijn kind moet de Cito-toets nog maken…

Dat kan kloppen. Je kind doet dan de digitale versie van de Centrale Eindtoets, die nog steeds kan worden afgenomen. Toch heeft het College voor Toetsen en Examens (CvTE) de cijfers nu al bekend gemaakt, omdat de verwachting is dat de landelijk gemiddelde standaardscore amper zullen veranderen door nog lopende digitale toetsafnames.

Het toetsadvies is een second opinion op het schooladvies dat door de school voor 1 maart is gegeven. Als een leerling beter presteert op de Centrale Eindtoets dan het schooladvies aangeeft, dan moet de basisschool het eerder gegeven schooladvies van de leerling heroverwegen. De basisschool kan dan het schooladvies naar boven toe bijstellen. Besluit de basisschool om het advies niet naar boven bij te stellen, dan is de school verplicht om dit besluit te motiveren, bij voorkeur ook in een gesprek met de ouders en de leerling.

Bijna eerderde van de leerlingen heeft een hogere score op de Centrale Eindtoets gehaald dan op basis van het afgegeven schooladvies werd verwacht. Een vergelijkbaar aantal kinderen heeft de toets juist minder goed gemaakt dan verwacht.

Verder lezen

Voorbereidend lezen in groep 1 en 2

Voorbereidend lezen in groep 1 en 2

3 mei 2017 | Reacties (0)

Kleuters in groep 1 en groep 2 zijn volop bezig met ‘voorbereidend lezen’ en ‘ontluikende geletterdheid’. Ze maken spelenderwijs kennis met geschreven taal en letters. Zo wordt de basis gelegd voor het leren lezen in groep 3. Maar wat doen ze nu eigenlijk bij ‘voorbereidend lezen’?

Taalonderwijs in groep 1 en groep 2

Voorlezen, rollenspellen, liedjes zingen, poppenkast, gedichtjes opzeggen, prentenboeken bekijken: kleuters vinden het heerlijk om met dit soort activiteiten bezig te zijn. In groep 1 en 2 is hier veel tijd en ruimte voor. Want het is niet alleen leuk, maar ook nog eens ontzettend leerzaam. In de kleutergroepen wordt gemiddeld een half uur tot een uur per dag gericht aandacht besteed aan taalonderwijs.

Voorbereidend lezen: kleuters in de startblokken

Veel activiteiten in groep 1 en 2 hebben als doel je kind voor te bereiden op het leren lezen in groep 3:

letters leren groep 1 en groep 2

  • Uitbreiding van de woordenschat, onder andere door veel voorlezen.
  • Oefenen van luistervaardigheid: de leerkracht leest een verhaal voor over de brandweer. Elke keer als de kinderen het woord ‘brand’ horen moeten ze in hun handen klappen, bij ‘brandweer’ stampen ze met hun voeten en bij ‘brandweerauto’ zeggen ze tu-ta-tu.
  • Oefenen met klankherkenning (‘auditieve discriminatie’) door spelletjes met eindrijm en beginrijm, liedjes zingen, lettergrepen klappen.
  • Trainen van het auditief geheugen: zinnen nazeggen van 4 tot 7 woorden (groep 1) of 7 tot 10 woorden (groep 2).
  • Inzicht krijgen in geschreven taal: wat zijn woorden, zinnen, letters? Wat is het verschil tussen de vorm van een woord en de betekenis: een reus is groter dan een kabouter, maar het woord ‘kabouter’ is groter dan het woord ‘reus’.
  • Letters leren. Op veel scholen wordt in groep 2 in de tweede helft van het schooljaar gewerkt met een ‘letter van de week‘. Een week lang staat een bepaalde letter centraal. In de kring verzinnen kinderen zo veel mogelijk woorden die met die letter beginnen, ze mogen spulletjes meenemen die met die letter beginnen, ze gaan stempelen met de letter of kleuren een kleurplaat in. In veel kleutergroepen is er een speciale ‘ABC-muur’ of ‘lettermuur’. Aan de wand (of aan een waslijn) worden kaarten met letters gehangen, soms met plaatjes erbij. Naar aanleiding van bijvoorbeeld een rijmpje, liedje of een prentenboekverhaal verzamelen de kinderen woorden voor de ABC-muur. Bij de woorden worden tekeningen of pictogrammen gemaakt. Natuurlijk zijn de letters ook te vinden op de stempeltafel. In het begin zal je kleuter lukraak wat letters op papier stempelen, na een tijdje volgt zijn eigen naam en aan het eind van groep 2 kan je kind al eenvoudige woordjes (na)stempelen!
  • Lettergrepen onderscheiden. Het kunnen opdelen van woorden in lettergrepen (en later afzonderlijke klanken) is een belangrijke stap naar het leren lezen. Je kind oefent dit soort woorden door te klappen (pop-pen-huis = drie klappen, ta-fel = twee klappen) of lekker hard te stampen.
  • Hakken (en plakken). In de tweede helft van groep 2 leert je kind eenlettergrepige woorden opdelen in afzonderlijke klanken. ‘Huis’ klinkt dan bijvoorbeeld als ‘huh-ui-sssss’. Zie ook Lezen met hakken en plakken

Fonologisch/fonemisch bewustzijn

In gesprekjes over de vorderingen van je kind, heeft de juf het misschien over ‘fonologisch’ of ‘fonemisch’ bewust zijn. Wat bedoelt ze daarmee? Fonemisch bewustzijn is het begrip dat gesproken woorden uit klanken bestaan. Fonemisch bewustzijn is een aspect van fonologisch bewustzijn, de vaardigheid om los van de inhoud te reflecteren op gesproken taal. Vaak worden de termen door elkaar gebruikt.

Verder lezen

Vermenigvuldigen op z'n Japans, een makkie

Vermenigvuldigen op z’n Japans, een makkie

26 april 2017 | Reacties (1)

Tafels leren, keersommen oefenen, kan dat niet gemakkelijker? Jawel, doe het vermenigvuldigen op zijn Japans. Niet met stokjes, wel met streepjes. Door keersommen om te zetten in streepjes wordt het een kwestie tellen om het antwoord te achterhalen. Bekijk onderstaand filmpje om te zien hoe dat in zijn werk gaat:

How do japanese multiply??

Well a rather interesting video ! How japanese multiply, a rather simple mathematic computation,or not? 😀 Please enjoy :D!

Laat het filmpje aan je kinderen zien en ze kijken je aan alsof je Hans Klok in hoogst eigen persoon bent. Hè, hoe kan dat? Deze Japanse manier van vermenigvuldigen lijkt wel magisch, maar is dat niet. Het is een uitwerking die is gebaseerd op de Vedische wiskunde, een bijzondere manier van rekenen uit eeuwenoude Indiase overlevering. Wil je meer uitleg over dit vermenigvuldigen met streepjes, klik dan op deze link.

Hoe fascinerend ook, in de dagelijkse praktijk is Japans vermenigvuldigen niet echt praktisch. Probeer het maar eens uit met getallen waar een 8 of 9 in komt (898×989, bijvoorbeeld): dat zijn een heleboel streepjes! Echt snel gaat het ook niet. In een fractie van de tijd waarin je alle lijnen hebt getrokken en alle kruispunten hebt geteld, reken je het antwoord ook op de gewone manier uit.

Is je zoon of dochter bezig het vermenigvuldigen onder de knie te krijgen, dan kan het erg leuk zijn om samen een keer naar deze alternatieve manier van uitrekenen te kijken. Al is het alleen maar om je kind te laten zien dat al dat tafels leren en keersommen oefenen echt wel ergens goed voor is.

Verder lezen

dyscalculie

Wat is dyscalculie?

18 april 2017 | Reacties (0)

Mara (11) zit in groep 7. Al vanaf groep 3 is rekenen voor haar een enorme opgave. De tafels heeft ze nooit onder de knie gekregen en de staartdelingen die ze nu moet oefenen voelen als een marteling. Mara heeft dyscalculie.

kind met dyscalculieDyscalculie staat voor hardnekkige problemen met (leren) rekenen. Kinderen met dyscalculie zijn slim genoeg om het rekenen te begrijpen, maar ze hebben ernstige problemen met het aanleren en automatiseren van de basisvaardigheden van het rekenen. Klokkijken, een routebeschrijving lezen, blokjes tellen. Het gaat bij de meeste leerlingen vanzelf, maar het lukt kinderen met dyscalculie niet.

Als een kind dyscalculie heeft, kent het bijvoorbeeld niet de namen van de getallen of lukt het ook na eindeloos oefenen niet om de tafels te leren. Kinderen met dyscalculie hebben ook vaak problemen met ruimtelijke oriëntatie en tijdsbesef. Ook plannen kost vaak veel moeite, omdat het inschatten van tijd erg lastig is.

Er zijn drie soorten dyscalculie:

  • moeite met het lezen en opschrijven van cijfers en getallen
  • cijfers en getallen op de verkeerde plek zetten
  • de rekenregels niet (meer) beheersen
dyslectie dyscalculie

Dyscalculie komt vaak voor samen met dyslexie.

Net als dyslexie is dyscalculie voor een groot deel erfelijk, met een neurologische achtergrond. Kinderen met dyscalculie hebben vaak ook nog een andere stoornis, zoals dyslexie en ADHD. Kinderen met dyscalculie hebben aan het eind van de basisschool vaak een rekenachterstand van minstens twee jaar.

Om vast te stellen of je kind daadwerkelijk dyscalculie heeft, is onderzoek door een orthopedagoog of psycholoog nodig. Als die de diagnose stelt, krijgt je kind een ‘dyscalculieverklaring’, waardoor je kind bijvoorbeeld een tafelkaart of een rekenmachine mag gebruiken en extra tijd krijgt bij het maken van toetsen. De school bepaalt zelf welke voorzieningen worden toegestaan.

Toen Mara in groep 3 en 4 ondanks veel oefenen moeite bleef houden met rekenen, is ze getest op dyscalculie. “Ze deed zo haar best, maar het rekenen automatiseerde ze totaal niet. We hebben al uren geoefend met eenvoudige sommetjes en de tafels, maar het lijkt wel alsof ze elke dag helemaal opnieuw moet beginnen”, vertelt haar moeder Laurentien. Toen de diagnose ‘dyscalculie’ werd gesteld, voelde dat als een opluchting. “Vooral voor Mara, die het gevoel had dat ze dom was en tekortschoot. Maar het probleem wordt er natuurlijk niet minder van.”

Bij toetsen mag Mara nu een tafelkaart gebruiken. Dat helpt wel, maar niet voldoende. Als de rekensom te complex wordt, raakt ze de kluts helemaal kwijt en weet ze bijvoorbeeld niet eens meer wat 9 min 7 is. “De staartdelingen die nu geoefend worden, overziet Mara helemaal niet”, zegt Laurentien. “Daar wordt ze zelf ook heel ongelukkig en gefrustreerd van. Het is best verdrietig om dat te zien en te beseffen dat ze dit altijd moeilijk zal blijven vinden.”

Hoe herken je dyscalculie?

dyscalculie tellen met vingersHoe eerder dyscalculie herkend wordt, hoe eerder je kind gericht kan worden geholpen. Bij kleuters kunnen de eerste signalen al worden opgepikt. Waar andere kleuters spelenderwijs leren over hoeveelheden en begrippen leren als ‘meer’ en ‘minder’, blijft dit bij deze kinderen achter. Vaak hebben ze ook geen zin om met tellen en cijfers aan de slag te gaan, maar kiezen ze liever voor een andere activiteit. In groep drie valt bijvoorbeeld op dat een kind moeite heeft om getallen goed te schrijven of lezen en zijn vingers blijft gebruiken waar de rest van de klas al met tientallen rekent.

Juist het vóórkomen van vroege rekenproblemen is belangrijk bij het vaststellen van dyscalculie. Kinderen met dyscalculie hebben al voor ze zeven jaar oud zijn moeite met rekenen. Een uitzondering zijn hoogbegaafde kinderen met dyscalculie. Bij hun blijven de problemen vaak verborgen tot in groep 5 of later. Bij kinderen die pas in groep 6 voor het eerst tegen rekenproblemen aanlopen – ze struikelen bijvoorbeeld over breuken – zal geen sprake zal zijn van dyscalculie.

Vrijwel alle kinderen met dyscalculie hebben een hartsgrondige hekel aan rekenen. Veel kinderen ontwikkelen ook faalangst, omdat het ze maar niet lukt om op rekengebied succesjes te boeken.

Pas op voor doe-het-zelf-diagnoses. Niet ieder kind dat slecht is in rekenen, heeft dyscalculie. Dyscalculie komt slechts bij gemiddeld één op de 50 kinderen voor. Dat betekent dat de meeste kinderen die slecht zijn in rekenen geen dyscalculie hebben, maar gewoon zwak zijn in rekenen.

Wat kun je thuis doen?

Als jouw kind dyscalculie heeft, zal de school je misschien vragen om thuis extra te oefenen. Wellicht ben je daarom geneigd om verder alles wat met rekenen te maken heeft maar een beetje weg te houden bij je kind. Toch kun je thuis op een speelse manier veel doen om je kind te helpen met rekenen. Vraag je kind bij het koken om ingrediënten af te wegen met een maatbeker en keukenweegschaal. Praat over de datum op de kalender. Koop Lego en ander constructiespeelgoed, speel spelletjes met dobbelstenen

Samen met je kind kun je dit filmpje over dyscalculie bekijken van Het Klokhuis:

35-Het klokhuis-Wat is dyscalculie?

Het Klokhuis Dyscalculie 5-3-2015

Heeft je kind recht op het gebruik van rekenmachine of tafelkaart?

Zoals hiervoor al aangegeven, bepaalt de school zelf of en welke hulpmiddelen je kind mag gebruiken. Veel ouders vragen zich af hoe dat zit bij Cito-toetsen. Geeft een dyscalculieverklaring daarbij automatisch recht op het gebruik van hulpmiddelen? Het antwoord is: nee.

Sterker nog: Cito adviseert scholen juist om géén hulpmiddelen te laten gebruiken omdat de toets dan niet meer doet waarvoor hij is bedoeld: het meten van vaardigheden in vergelijking met leeftijdsgenoten en op basis van de uitkomsten het onderwijsaanbod aan de leerling afstemmen. Cito schrijft zelf in een advies aan de scholen: “Als een leerling bij het maken van de rekentoets een rekenmachine zou gebruiken, dan krijgt u daarover niet meer de juiste informatie: kan een leerling nu écht goed optellen over het tiental of kan hij dat goed uitrekenen met een rekenmachine?”

Meer informatie over dyscalculie

Als jouw kind extra zorg en aandacht nodig heeft, zul je behoefte hebben aan meer informatie. Er zijn veel organisaties die je kunnen voorlichten over de specifieke situatie van je kind. Hét startpunt is Oudervereniging Balans. Balans geeft een eigen magazine uit en heeft een uitstekende website met zeer uitgebreide, betrouwbare informatie over leer- en gedragsstoornissen, waar je ook allerlei brochures kunt downloaden. Ook (0800) 5010, het gratis informatienummer van de overheid, kan je goed verder helpen. Bijvoorbeeld met een verwijzing naar de goede organisatie of regelingen die in jullie situatie van toepassing zijn.www.balansdigitaal.nl, www.5010.nl

Bronnen:

Verder lezen

Scholen verschillen enorm in kwaliteit

Scholen verschillen enorm in kwaliteit

12 april 2017 | Reacties (0)

Wil je je kind de beste kansen geven? Kijk dan goed uit de bij de keuze van een basisschool. De kwaliteitsverschillen tussen Nederlandse basisscholen zijn enorm. Ook als het gaat om scholen in dezelfde wijk en met vergelijkbare leerlingpopulaties. Leerlingen met dezelfde talenten kunnen op de ene school tot wel twee schoolniveaus lager uitkomen op de centrale eindtoets dan op een andere school. Dat concludeert in de Onderwijsinspectie in haar jaarlijkse publicatie De staat van het onderwijs.

‘Er gaat veel talent verloren’

Vorig jaar waarschuwde de inspectie voor kansongelijkheid voor kinderen van laagopgeleide ouders. Daarin is inmiddels al verbetering te zien, maar nu blijkt dus dat ook de schoolkeuze grote kansongelijkheid met zich meebrengt. “Nederland is koploper schoolverschillen”, zegt Monique Vogelzang, Inspecteur-generaal van het Onderwijs. “Het blijkt voor je kansen enorm uit te maken op welke school je zit. Het kan goed uitpakken of je kunt pech hebben. Er gaat veel talent verloren.”

De basiskwaliteit is op de meeste scholen wel aanwezig, maar het gaat volgens Vogelzang om ‘de onzichtbare kwaliteit boven de minimumnorm’ die het verschil maakt. “Bij succesvolle scholen staat het steeds willen verbeteren bovenaan. De leerkrachten gaan bij collega’s kijken in de les en zijn niet bang om feedback te geven. Of ze lopen stage op een andere school. Gerichte steun van het schoolbestuur en de overheid speelt hierbij een belangrijke rol.’

Een van de belangrijkste bevindingen in de Staat van het Onderwijs 2017 is dat er te grote verschillen tussen scholen zijn. Wat betekent dit voor leerlingen?

Een van de belangrijkste bevindingen in de Staat van het Onderwijs 2017 is dat er te grote verschillen tussen scholen zijn. Wat betekent dit voor leerlingen?

Kwaliteitsverschillen tussen scholen zijn overal in Nederland

De kwaliteitsverschillen tussen scholen treden op bij alle schooltypen, in alle sectoren en in het hele land, concludeert de inspectie. Van kleine basisscholen op het platteland tot gymnasia in de Randstad, van grote vmbo’s tot hogescholen en universiteiten.

Door de bank genomen is het niveau van het onderwijs in Nederland volgens de inspectie nog steeds goed. “De gemiddelde prestaties zijn hoog, maar stabiel of dalend. Dit komt doordat onze top smaller wordt: het aantal leerlingen dat goed presteert is de afgelopen tien tot twintig jaar flink teruggelopen.”

‘Scholen moeten beter nadeken hoe ze hun geld besteden’

Minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) maken zich ‘grote zorgen’ over de verschillen. ‘Het feit dat het van je school afhangt of je talenten volledig worden benut, zorgt voor kansenverschillen tussen leerlingen op verschillende scholen. Dat is uiterst ongewenst’, laten ze in een schriftelijke reactie weten.

Bussemaker waarschuwt scholen dat ze hun budgetten niet ‘mechanisch’ moeten verdelen zonder na te denken over waar de grootste problemen zitten. “De grote vrijheid die scholen hebben, betekent ook dat ze een grote verantwoordelijkheid hebben.”

‘Niets-aan-de-hand-scholen’

Staatssecretaris Sander Dekker zegt in een reactie dat de Onderwijsinspectie met dit rapport de mythe doorprikt dat ‘de scholen in Nederland allemaal wat kwaliteit betreft wel hetzelfde zijn’. “Het laat zien dat het wel degelijk uitmaakt naar welke school je je kind stuurt.” Vooral op ‘niets-aan-de-hand-scholen’ valt volgens hem veel winst te behalen. Dit zijn scholen die de minimumnormen vrij probleemloos halen, maar niet zich inspannen om een hoger niveau te bereiken.

Dekker wijst erop dat met gerichte keuzes scholen in vrij korte tijd hun kwaliteit enorm kunnen verbeteren. Zwakke en zeer zwakke scholen slagen er doorgaans binnen een of enkele jaren om een goede of zelfs een excellente school te worden. “De programma’s die we hebben ingesteld voor zwakke scholen, de vliegende brigades die deze scholen bijstaan, gaan we nu ook beschikbaar stellen voor de middelmaat”, kondigt hij Dekker aan. Maar scholen moeten daar niet op gaan zitten wachten, zo waarschuwt hij. “Wees niet te snel tevreden met hoe het nu gaat.”

 

 

Verder lezen

Ouders willen liever helpen op inhoud

Ouders willen liever helpen op inhoud

12 april 2017 | Reacties (0)

Ouders willen best helpen op school, maar ze leveren liever een inhoudelijke bijdrage dan dat ze luizenpluizen, lokalen schoonmaken of als chauffeur meegaan met klassenuitjes. Dat blijkt uit een enquête die is afgenomen door Ouders en Onderwijs, de belangenorganisatie van ouders binnen onderwijsinstellingen. De hartekreet van ouders, gericht aan scholen: ‘Benut de expertise van ouders, die voor het grijpen ligt.’

1100 ouders vulden de enquête in en zo’n 250 ouders ging ook nog eens met met elkaar in gesprek gegaan over vijf thema’s: ouderbijdrage, privacy, schooltijden en vakanties, pesten en overgangen binnen en tussen scholen. Ouders en Onderwijs heeft de resultaten weergegeven in het online magazine de Staat van de Ouder, dat door iedereen te raadplegen is.

Ouders helpen graag

Uit de enquête blijkt dat 80 procent van de ouders tevreden is met de eigen deelname aan activiteiten. Meer dan de helft van de ouders vindt het ‘normaal’ om op school te helpen, het hoort erbij. Ze doen het ook omdat ze het leuk vinden, zegt bijna de helft van de ouders in het basisonderwijs, al wordt er wel geklaagd dat het ‘altijd dezelfde ouders zijn die meehelpen’.

Vrijwillige ouderbijdrage voelt als verplichting

De ouderbijdrage in het onderwijs is vrijwillig, maar driekwart van de ouders voelt zich verplicht om te betalen. Het jaarlijkse bedrag dat per kind aan ouders wordt gevraagd varieert van 35 tot 135o euro per jaar. Vooral op speciale scholen, scholen voor hoogbegaafden of vrije scholen kunnen de bedragen oplopen. Er is veel sociale controle en wie (nog) niet betaald heeft kan daar op het schoolplein op aangesproken worden en krijgt diverse mails om aan de ‘vrijwillige’ bijdrage te helpen herinneren. Veertig procent van de ouders geeft aan niet te weten waarvoor de ouderbijdrage precies wordt bedoeld.

Overgang naar middelbare school bezorgd ouders hoofdpijn

Over één ding zijn eigenlijk alle ouders het wel eens: de overgang van groep 8 naar de middelbare school is iets wat je als ouder uit de slaap houdt en hoofdpijn bezorgt. De ondervraagde ouders geven aan dat ze nauwelijk een idee hebben hoe precies het schooladvies tot stand komt. Ouders willen beter begeleid en geïnformeerd worden in het proces van het schooladvies. Bovendien geven ze aan dat ze activer betrokken willen worden in de totstandkoming van het advies. Welke rol de verplichte eindtoets in groep 8 precies speelt, is veel ouders ook niet duidelijk.

In ons gratis boekje Alles over de eindtoets kun je meer lezen het schooladvies, de eindtoets en wat er wordt gedaan met de uitslag van de eindtoets in groep 8.

Schooltijden, pesten en nog veel meer

Neem vooral de tijd om de Staat van de Ouder eens rustig door te lezen. Het is geen saai rapport, maar een prettig leesbaar online magazine. Interessante onderwerpen zijn bevoorbeeld ook de hoofdstukken over schooltijden en vakanties en de aanpak van pesten.

 

 

 

 

Verder lezen

Herfstkleuters en de overgang naar groep 3

Herfstkleuters en de overgang naar groep 3

6 april 2017 | Reacties (11)

‘Herfstkinderen’ zijn kinderen die in oktober, november of december zijn geboren.  Over de overgang van herfstkinderen naar groep 3 is veel verwarring. Is een novemberkind dat langer kleutert een officiële zittenblijver? Geldt tegenwoordig 1 januari als ijkdatum? Wat zegt de Onderwijsinspectie hier nu precies over?

Oktobergrens, januarigrens? Wat zijn de regels?

Tot 1985 was het duidelijk: kleuters die vóór 1 oktober zes jaar werden, gingen na de zomervakantie naar de basisschool. Was je na die datum jarig, dan moest je nog een jaartje wachten. Tegenwoordig bestaat die harde grens niet meer. Maar hoe zit het dan wel met kleuters en de overgang naar groep 2 en 3? In Hét basisschoolboek helpt woordvoerder Hans van der Vlies van de Onderwijsinspectie drie hardnekkige misvattingen de wereld uit:

Misvatting 1: De oktobergrens is vervangen door de januarigrens. Kinderen die vóór januari jarig zijn, kleuteren in totaal anderhalf jaar, kinderen die na 1 januari jarig zijn, zitten tweeënhalf jaar in de kleutergroepen.

Hoe zit het wel?
Niet een datum of de leeftijd van je kind, maar alleen de ontwikkeling van je kind en het oordeel van de school hierover bepalen of je kind overgaat. ‘Van overheidswege is er geen enkele richtlijn of wat dan ook met betrekking tot de keuze die scholen hierin maken’, benadrukt Van der Vlies. Scholen moeten hun beslissing over overgaan onderbouwen, maar ‘een onderbouwde plaatsingsbeslissing is niet gebaseerd op de datum waarop het kind jarig is en voor het eerst naar school gaat en ook niet op een teldatum.’

Misvatting 2: Herfstkinderen die na de zomervakantie weer in groep 1 terechtkomen, gelden formeel als ‘zittenblijvers’.

Hoe zit het wel?
‘Van het “officieel aanmerken als zittenblijver” van kinderen is in de leerjaren 1 en 2 geen sprake.’ Volgens de Onderwijsinspectie heeft de school wel iets uit te leggen als je herfstkleuter na de zomervakantie (weer) in groep 1 komt. Van der Vlies: ‘Voor leerlingen die langer dan een half jaar in groep 1 verblijven, is in de geest van de wet meer onderbouwing nodig voor het herhalen van meer dan de helft van het onderwijsaanbod voor groep 1.’ Kinderen die langer kleuteren, hebben volgens de inspectie speciale aandacht nodig, vertelt Van der Vlies. ‘Het is aan de school hoe ze dit verantwoordt.’

Herfstkleuters die tweeënhalf jaar kleuteren, doen langer dan de gewenste acht jaar over de basisschool. Die ‘extra tijd’ wordt hun niet aangerekend, vertelt Van der Vlies. ‘Alleen kinderen die in de zomervakantie jarig zijn, kunnen precies acht jaar over de basisschool doen. Alle andere kinderen doen er korter of langer over. Omdat er maar één vast moment is waarop een schooljaar aanvangt (1 augustus), ontstaat er onvermijdelijk een spreiding van een jaar.’

Er wordt vaak beweerd dat kinderen die langer kleuteren later in hun basisschooltijd niet nog een keer kunnen blijven zitten. Dat is niet zo. Kinderen mogen uiterlijk tot en met het schooljaar waarin zij veertien jaar worden naar de basisschool. Dat betekent dat zelfs een herfstkleuter die drieënhalf jaar kleutert qua leeftijd nog voldoende speling heeft om later nog een keer een groep over te doen. Wel is het zo dat het leeftijdsverschil met klasgenoten daardoor erg groot wordt.

Misvatting 3: Kleuters die na de kerstvakantie op school beginnen, komen na de zomervakantie automatisch in groep 1.

Hoe zit het wel?
Het ‘normale’ verloop is wel dat een kleuter die in mei naar de basisschool gaat, in augustus (opnieuw) in groep 1 komt, als vijfjarige naar groep 2 gaat en als zesjarige in groep 3 begint. De school mag dit echter niet als een automatisme toepassen. ‘Het zou kunnen dat een leerling die in mei voor het eerst op school komt, in groep 1 al zo ver is in zijn ontwikkeling dat hij het volgende schooljaar toe is aan groep 2’, vertelt Van der Vlies. Ieder kind moet dus apart op zijn of haar ontwikkeling worden beoordeeld. ‘De inspectie verlangt van scholen dat ze duidelijke criteria opstellen waarmee ze hun beslissing kunnen onderbouwen.’

Goed om te weten

De Onderwijsinspectie spreekt scholen niet aan op individuele gevallen. Wel gaat ze met scholen in gesprek waar meer dan 12 procent van de kleuters vóór groep 3 vertraging oploopt. In dat geval wordt het beleid van de school tegen het licht gehouden: welke afwegingen maakt een school met betrekking tot de overgang naar een volgend leerjaar?

Verder lezen

Kinderen tekenen slechter dan vroeger

Kinderen tekenen slechter dan vroeger

1 april 2017 | Reacties (0)

Kinderen anno nu maken minder goede tekeningen dan twintig jaar geleden. Ook weten ze minder van muziek dan hun leeftijdsgenoten twee decennia eerder. De Onderwijsinspectie heeft dat vastgesteld in een onderzoek naar de stand van het cultuuronderwijs op de basisschool.

De Onderwijsinspectie deed in het schooljaar 2015-2016 onderzoek onder achtstegroepers naar de kunstzinnige ontwikkeling. De kinderen kregen in de dit onderzoek dezelfde tekenopgave en muziekkennistest als twintig jaar eerder ook in groep 8 was afgenomen. De resultaten werden volgens dezelfde normering beoordeeld.

Wat bleek? Kinderen van nu maken minder gedetailleerde tekeningen dan kinderen twintig jaar eerder deden. Ze tekenen meer afzonderlijke elementen in plaats van het volledige verhaal en zijn ook schematischer gaan tekenen. Een verklaring zou kunnen zijn dat de kwaliteit van de kindertekeningen wordt beïnvloed door de snelheid van de hedendaagse beeldcultuur.

Kinderen van nu tekenen anders, maar slechter?

Anouk Custers is cultuurcoördinator bij SEP, de stichting Educatieve Projecten in Amsterdam. Zij merkt hierover op: “De digitalisering van ons leven heeft creativiteit vluchtiger gemaakt. Dat kan je als een verlies zien, maar ook als een andere vaardigheid. Dus er zijn andere criteria nodig, criteria die weerspiegelen wat de samenleving heeft doorgemaakt.” Ook

Ook Robert Knox stelt in het rapport de vraag of de criteria van twintig jaar geleden tegenwoordig nog wel gebruikt kunnen worden. Knox is afdelingshoofd Cultuureducatie bij het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst. Hij vindt dat meer naar de beeldcultuur moet worden gekeken dan naar het tekenen. “De beeldcultuur is veel breder. Kinderen spelen Minecraft. Aan de ene kant is dat een heel grofmazige verbeelding. Maar tegelijk stimuleert het het ruimtelijk denken enorm en vraagt het veel creativiteit. Dus dan zien leerlingen dat ze geen details nodig hebben om fantasierijk te werken.” Hij pleit ervoor de zaak om te draaien en de tekeningen uit 1996 te beoordelen met de criteria van nu om de trend in beeld te brengen.

Cultuurkennis varieert sterk

De Inspectie bekeek niet alleen kindertekeningen, maar nam de leerlingen ook een schriftelijke kennistoets af om te meten wat ze wisten van muziek, drama, dans en beeldende kunst. Zo werd bijvoorbeeld bij een muziekfragment gevraagd aan te geven uit welk land deze muziek komt. Ook vragen over de compositie van een schilderij of uit welke tijdsperiode een schilderij is, waren onderdeel van de kennistoets.

Van de kennisopgaven in de schriftelijke toets hadden de leerlingen in groep 8 gemiddeld iets meer dan de helft goed. Geen enkele leerling had alle opgaven goed of alle opgaven fout. Het verschil tussen hoog presterende en laag presterende leerlingen was groot. Hoog presterende leerlingen hadden ongeveer twee keer zoveel opgaven goed als laag presterende leerlingen. Ook bleek het uit te maken of een school een internet cultuurcoördinator heeft. Op de scholen met zo’n cultuurcoördinator werd de kennistoets beter gemaakt.

 

Wie geeft de kunstvakken op school?

Meestal is het de eigen leerkracht die de lessen voor kunstzinnige oriëntatie geeft. Op een kwart van de bevraagde basisscholen is een vakleerkracht voor een van de disciplines aangesteld. Driekwart van de scholen geeft aan een interne cultuurcoördinator te hebben. Dat is een leerkracht of schoolleider die zich heeft gespecialiseerd in cultuuronderwijs, het cultuuronderwijs op de school organiseert en soms ook de lessen op dit gebied verzorgt.

 

Muziekkennis is afgenomen

In de kennistoets zaten dertien opgaven over muziek die in 1997 ook zijn voorgelegd aan leerlingen in groep 8 van het basisonderwijs. Maar liefst elf van de dertien vragen werden slechter gemaakt dan twintig jaar geleden. Twee opgaven werden nu beter gemaakt.

Anderhalf uur per week aandacht voor kunstvakken

Gemiddeld krijgen de kinderen in groep 3 tot en met groep 8 anderhalf uur per week les kunstzinnige oriëntatie. De meeste tijd wordt besteed aan beeldende activiteiten, zoals tekenen: gemiddeld ruim een uur per week. De gemiddelde tijd die wordt besteed aan dans en cultureel erfgoed is het laagste, rond de tien minuten per week per vak.

 

 

 

 

 

Verder lezen