Ontwikkeling

dyscalculie

Wat is dyscalculie?

18 april 2017 | Reacties (0)

Mara (11) zit in groep 7. Al vanaf groep 3 is rekenen voor haar een enorme opgave. De tafels heeft ze nooit onder de knie gekregen en de staartdelingen die ze nu moet oefenen voelen als een marteling. Mara heeft dyscalculie.

kind met dyscalculieDyscalculie staat voor hardnekkige problemen met (leren) rekenen. Kinderen met dyscalculie zijn slim genoeg om het rekenen te begrijpen, maar ze hebben ernstige problemen met het aanleren en automatiseren van de basisvaardigheden van het rekenen. Klokkijken, een routebeschrijving lezen, blokjes tellen. Het gaat bij de meeste leerlingen vanzelf, maar het lukt kinderen met dyscalculie niet.

Als een kind dyscalculie heeft, kent het bijvoorbeeld niet de namen van de getallen of lukt het ook na eindeloos oefenen niet om de tafels te leren. Kinderen met dyscalculie hebben ook vaak problemen met ruimtelijke oriëntatie en tijdsbesef. Ook plannen kost vaak veel moeite, omdat het inschatten van tijd erg lastig is.

Er zijn drie soorten dyscalculie:

  • moeite met het lezen en opschrijven van cijfers en getallen
  • cijfers en getallen op de verkeerde plek zetten
  • de rekenregels niet (meer) beheersen
dyslectie dyscalculie

Dyscalculie komt vaak voor samen met dyslexie.

Net als dyslexie is dyscalculie voor een groot deel erfelijk, met een neurologische achtergrond. Kinderen met dyscalculie hebben vaak ook nog een andere stoornis, zoals dyslexie en ADHD. Kinderen met dyscalculie hebben aan het eind van de basisschool vaak een rekenachterstand van minstens twee jaar.

Om vast te stellen of je kind daadwerkelijk dyscalculie heeft, is onderzoek door een orthopedagoog of psycholoog nodig. Als die de diagnose stelt, krijgt je kind een ‘dyscalculieverklaring’, waardoor je kind bijvoorbeeld een tafelkaart of een rekenmachine mag gebruiken en extra tijd krijgt bij het maken van toetsen. De school bepaalt zelf welke voorzieningen worden toegestaan.

Toen Mara in groep 3 en 4 ondanks veel oefenen moeite bleef houden met rekenen, is ze getest op dyscalculie. “Ze deed zo haar best, maar het rekenen automatiseerde ze totaal niet. We hebben al uren geoefend met eenvoudige sommetjes en de tafels, maar het lijkt wel alsof ze elke dag helemaal opnieuw moet beginnen”, vertelt haar moeder Laurentien. Toen de diagnose ‘dyscalculie’ werd gesteld, voelde dat als een opluchting. “Vooral voor Mara, die het gevoel had dat ze dom was en tekortschoot. Maar het probleem wordt er natuurlijk niet minder van.”

Bij toetsen mag Mara nu een tafelkaart gebruiken. Dat helpt wel, maar niet voldoende. Als de rekensom te complex wordt, raakt ze de kluts helemaal kwijt en weet ze bijvoorbeeld niet eens meer wat 9 min 7 is. “De staartdelingen die nu geoefend worden, overziet Mara helemaal niet”, zegt Laurentien. “Daar wordt ze zelf ook heel ongelukkig en gefrustreerd van. Het is best verdrietig om dat te zien en te beseffen dat ze dit altijd moeilijk zal blijven vinden.”

Hoe herken je dyscalculie?

dyscalculie tellen met vingersHoe eerder dyscalculie herkend wordt, hoe eerder je kind gericht kan worden geholpen. Bij kleuters kunnen de eerste signalen al worden opgepikt. Waar andere kleuters spelenderwijs leren over hoeveelheden en begrippen leren als ‘meer’ en ‘minder’, blijft dit bij deze kinderen achter. Vaak hebben ze ook geen zin om met tellen en cijfers aan de slag te gaan, maar kiezen ze liever voor een andere activiteit. In groep drie valt bijvoorbeeld op dat een kind moeite heeft om getallen goed te schrijven of lezen en zijn vingers blijft gebruiken waar de rest van de klas al met tientallen rekent.

Juist het vóórkomen van vroege rekenproblemen is belangrijk bij het vaststellen van dyscalculie. Kinderen met dyscalculie hebben al voor ze zeven jaar oud zijn moeite met rekenen. Een uitzondering zijn hoogbegaafde kinderen met dyscalculie. Bij hun blijven de problemen vaak verborgen tot in groep 5 of later. Bij kinderen die pas in groep 6 voor het eerst tegen rekenproblemen aanlopen – ze struikelen bijvoorbeeld over breuken – zal geen sprake zal zijn van dyscalculie.

Vrijwel alle kinderen met dyscalculie hebben een hartsgrondige hekel aan rekenen. Veel kinderen ontwikkelen ook faalangst, omdat het ze maar niet lukt om op rekengebied succesjes te boeken.

Pas op voor doe-het-zelf-diagnoses. Niet ieder kind dat slecht is in rekenen, heeft dyscalculie. Dyscalculie komt slechts bij gemiddeld één op de 50 kinderen voor. Dat betekent dat de meeste kinderen die slecht zijn in rekenen geen dyscalculie hebben, maar gewoon zwak zijn in rekenen.

Wat kun je thuis doen?

Als jouw kind dyscalculie heeft, zal de school je misschien vragen om thuis extra te oefenen. Wellicht ben je daarom geneigd om verder alles wat met rekenen te maken heeft maar een beetje weg te houden bij je kind. Toch kun je thuis op een speelse manier veel doen om je kind te helpen met rekenen. Vraag je kind bij het koken om ingrediënten af te wegen met een maatbeker en keukenweegschaal. Praat over de datum op de kalender. Koop Lego en ander constructiespeelgoed, speel spelletjes met dobbelstenen

Samen met je kind kun je dit filmpje over dyscalculie bekijken van Het Klokhuis:

35-Het klokhuis-Wat is dyscalculie?

Het Klokhuis Dyscalculie 5-3-2015

Heeft je kind recht op het gebruik van rekenmachine of tafelkaart?

Zoals hiervoor al aangegeven, bepaalt de school zelf of en welke hulpmiddelen je kind mag gebruiken. Veel ouders vragen zich af hoe dat zit bij Cito-toetsen. Geeft een dyscalculieverklaring daarbij automatisch recht op het gebruik van hulpmiddelen? Het antwoord is: nee.

Sterker nog: Cito adviseert scholen juist om géén hulpmiddelen te laten gebruiken omdat de toets dan niet meer doet waarvoor hij is bedoeld: het meten van vaardigheden in vergelijking met leeftijdsgenoten en op basis van de uitkomsten het onderwijsaanbod aan de leerling afstemmen. Cito schrijft zelf in een advies aan de scholen: “Als een leerling bij het maken van de rekentoets een rekenmachine zou gebruiken, dan krijgt u daarover niet meer de juiste informatie: kan een leerling nu écht goed optellen over het tiental of kan hij dat goed uitrekenen met een rekenmachine?”

Meer informatie over dyscalculie

Als jouw kind extra zorg en aandacht nodig heeft, zul je behoefte hebben aan meer informatie. Er zijn veel organisaties die je kunnen voorlichten over de specifieke situatie van je kind. Hét startpunt is Oudervereniging Balans. Balans geeft een eigen magazine uit en heeft een uitstekende website met zeer uitgebreide, betrouwbare informatie over leer- en gedragsstoornissen, waar je ook allerlei brochures kunt downloaden. Ook (0800) 5010, het gratis informatienummer van de overheid, kan je goed verder helpen. Bijvoorbeeld met een verwijzing naar de goede organisatie of regelingen die in jullie situatie van toepassing zijn.www.balansdigitaal.nl, www.5010.nl

Bronnen:

Verder lezen

Wobbel, de 1000-dingen schommelplank

Wobbel, de 1000-dingen schommelplank

10 maart 2017 | Reacties (0)

Een gebogen plank met optioneel een laagje vilt of kurk eronder. Dat is de Wobbel. Een supersimpel ding dat ondanks een stevig prijskaartje bij steeds meer gezinnen op het verlanglijstje staat en steeds vaker opduikt in scholen. Tijd om de Wobbel eens uit te proberen.

We leggen de wiebelplank in de woonkamer bij het testgezin met vier wat oudere kinderen. Zonder uitleg, zonder toelichting. Want zo wordt de Wobbel aangeprezen: als een stuk balansspeelgoed dat de fantasie prikkelt en waar je intuïtief mee speelt. Laat maar gaan, laat maar ontdekken. En verbeter spelenderwijs de balans en grove motoriek.

En dat is ook precies wat er gebeurt. Zodra de 10-jarige tweelingtesters de Wobbel ontwaren, beginnen hun ogen te glimmen. Eerst maar eens erop staan, heen en weer schommelen. Zijwaarts, voorwaarts. Eerst voorzichtig, een beetje wankel, maar al snel volledig in balans en vol bravoure. Kunnen we er ook met zijn tweeën op? Daar is een kleine aanwijzing even op zijn plaats: als de Wobbel met de bolle kant naar boven ligt, mag dat wel, ligt de Wobbel met de bolle kant naar beneden, dan mag er maximaal één persoon tegelijk op.

Van hobbelpaard tot knuffel-lanceerinrichting

Binnen vijf minuten heeft de Wobbel al dienst gedaan als schommelplank, hobbelpaard, knikkerbaan, glijbaan en knuffel-lanceerinrichting. Ook lekker: de Wobbel met een kussen en een dekentje inrichten als wiebelbed-tv-kijk-plek.

In de twee weken dat de plank in huis staat, blijft hij een onbeschrijflijke aantrekkingskracht uitoefenen op alle huisgenoten. Iedere dag worden weer nieuwe toepassingen en spelletjes bedacht: kun je bijvoorbeeld met Kapla een bouwwerk bouwen dat schommelbestendig is? Antwoord: ja, dat kan, mits het aan een aantal voorwaarden voldoet. Het bouwwerk mag – zo wordt proefondervindelijk vastgesteld – niet te hoog zijn en de constructie moet bijna massief zijn. Al is geen bouwwerk bestand tegen schommelkracht 10…

Ook de pubers van 13 en 15 en de volwassenen in huis staan of zitten elke dag wel even op de Wobbel. Even schommelen werkt ontspannend. Al loop je na een kwartiertje staand wobbelend tv-kijken een dag later wel met lichte spierpijn in je billen (geen wonder dat fysiotherapeuten de plank gebruiken voor gerichte spier- en houdingsoefeningen). Zelfs de kat vindt het een spannend ding om onderdoor te kruipen of overheen te lopen. En daar hebben we gelijk het enige minpuntje gevonden aan de Wobbel: haren zijn moeilijk van de vilten onderkant te verwijderen.

Peuters en kleuters

Bij oudere kinderen is de Wobbel een doorslaand succes, zo leert deze ervaring. Maar hoe zit het met jongere kinderen? Vanaf welke leeftijd is de Wobbel leuk? Vanaf nul jaar, zeggen de makers van Wobbel. Afgaande op de enthousiaste verhalen op Facebook en YouTube klopt dat wel. Kijk maar eens hoeveel pret deze baby heeft als hij op dat gekke schommelding klautert:

Wobbel time!!

Dex is lekker aan het spelen met de wobbel!

Zeker is dat peuters en kleuters zich al helemaal kunnen uitleven met een Wobbel. De gebogen plank is een heerlijk hulpmiddel in fantasiespellen. Dan weer een brug waar de trein onderdoor rijdt, dan weer een poppenbedje. De Wobbel is een tafeltje, een hut, een opstapje bij het aanrecht. Het enige wat je nodig hebt voor een Wobbel is fantasie en zin om te ontdekken en bewegen. En laat dat nou net zijn wat jonge kinderen in overvloed hebben.

Degelijke uitvoering

Zoals gezegd in de inleiding: een Wobbel is niet goedkoop. De uitvoering met vilt aan de onderkant (beschermt de vloer) kost 132 euro. Daarmee haal je wel een stuk speelgoed in huis, waarvan je kind echt jarenlang plezier kan hebben (en dat je zelf kan gebruiken als trainingapparaat). De Wobbel is gemaakt van hoogwaardig materiaal (18 lagen geperst beukenhout) en is heel netje afwerkt, met gladde afgeronde randen. Hij is verkrijgbaar in meerdere kleuren en wordt geleverd in een stevige doos, met een A4-tje waarop een paar veiligheids- en onderhoudstips staan. Naast de standaardmaat (maximale belasting 100 kg) is er ook een XL-variant die 200 kg aan kan.

Waar koop je de Wobbel?

De Wobbel is te koop in de webwinkel van Heutink

 

Over Wobbel

Het idee van het Wobbel is niet nieuw. Het komt oorspronkelijk uit het Waldorf-onderwijs, de internationale naam voor wat in Nederland de Vrije School heet. Daar heet de plank  een rocker board, maar die werd niet meer gemaakt. Reden voor Hannelore Blaauw en Wouter Haine om samen de Wobbel te ontwikkelen.

De eerste Wobbels waren eind 2015 klaar en sindsdien gaat het hard. De wiebelplank is niet alleen populair in gezinnen met jonge kinderen, maar ook in de kinderopvang en op scholen. Voor het onderwijs is er tegenwoordig ook een aparte uitvoering met een staplank over de boog heen; actieve kinderen kunnen daar op staan.

Zie ook www.wobbel.eu

 

 

Verder lezen

Leren lezen in groep 3

Oefenen met lezen, hoe houd je het leuk?

14 februari 2017 | Reacties (7)

In de loop van het schooljaar – vooral in groep 3 en 4 – gaat het leestempo steeds meer een rol spelen. Blijft dit achter, dan krijg je als ouder vaak het verzoek specifiek met je kind op snelheid te gaan oefenen. Oefening baart kunst en dat is met lezen zeker het geval. Hoe meer ‘leeskilometers’ een kind maakt, hoe beter het zal gaan lezen. Maar hoe pak je dat aan op een manier die werkt en ook nog een beetje leuk is om te doen?

Dat vragen ook Marieke en Roelof van den Berg zich af als hun zoon Kas (6) in groep 3 zit. Hij leest op zich goed, maar nog wel erg langzaam. Te langzaam, zo krijgen Marieke en Roelof tijdens het tienminutengesprek in februari te horen van Kas’ juf. “Om over te gaan naar groep 4 moet zijn leestempo de komende maanden flink omhoog, zei de juf. We moeten elke dag met hem oefenen”, vertelt Marieke.

‘Slecht voor zijn zelfvertrouwen’

stopwatchDat dagelijkse oefenen vindt ze lastig. “Niet voor ons hoor, natuurlijk willen we hem graag helpen, maar Kas vind het afschuwelijk. We moeten hem steeds een week lang dezelfde tekst laten lezen en dan met een stopwatch klokken of hij zijn tijd kan verbeteren. Dat werkt misschien bij kinderen die competitief zijn ingesteld, maar Kas raakt er zo gestrest van dat hij eerder slechter gaat lezen dan beter. Op deze manier geeft het oefenen hem een deuk in zijn zelfvertrouwen.”

Waarom is het leestempo zo belangrijk?

Hoe belangrijk is het eigenlijk dat Kas sneller gaat lezen, vraagt Marieke zich af. “Ik lees zelf ook vrij langzaam en herken dat bij Kas. Hij gaat met alles heel bedachtzaam te werk en dus ook met lezen. Hij begrijpt overigens heel goed wat hij leest, dat bleek ook uit zijn Cito-scores. Is dat niet het allerbelangrijkste?”

Avi-boeken

Om goed en vlot te leren lezen, is veel oefening nodig.

Ja en nee, antwoordt juf Kim, die veel ervaring heeft met lesgeven aan groep 3. “Natuurlijk moet een kind allereerst begrijpen wat hij leest, anders heeft het lezen niet zo veel zin. Het tempo lijkt misschien minder relevant, maar kinderen die te langzaam lezen, komen in een hogere groep in de problemen. Niet alleen bij lezen, maar bij alle vakken. Denk maar aan aardrijkskunde, geschiedenis en ook rekenen: kinderen moet gewoon heel veel lezen om de stof tot zich te nemen. Wie te veel tijd kwijt is met lezen, houdt te weinig tijd over om te leren of na te denken over de opgave. Daardoor zakken schoolprestaties over de gehele linie in, allemaal terug te voeren op dat lezen. Niet voor niets blijft tempolezen dus ook in de bovenbouw continu een punt van aandacht.”

Oefenen dus, maar hoe?

Kinderen die thuis extra moeten oefenen, zijn doorgaans niet de kinderen die uit zichzelf met een boekje op de bank kruipen. Als ouder loop je daardoor al snel het risico dat je met je kind in een strijd terechtkomt. Dat werkt bijna per definitie averechts. Maar hoe pak je het dan wel aan?

We zetten een aantal tips op een rijtje om het thuis oefenen met lezen leuk te houden. Dé tip is er niet, want je zult zelf naar je kind moeten kijken om te bepalen welke manier van oefenen bij hem of haar het beste werkt. (Heeft jouw kind specifiek problemen met de drieminutentoets? Lees dan eerst: Oefenen voor de drieminutentoets (DMT), heeft dat zin?)

Tips om thuis te oefenen met (sneller) lezen

Oefen elke dag 10 minuten

Geef hier altijd voorrang aan, ook als andere dingen om je aandacht vragen. Als je het oefenen laat schieten omdat het even slecht uitkomt, geef je de boodschap mee dat het lezen eigenlijk niet zo belangrijk is.

 

Laat lezen leuk zijn

Motivatie is de belangrijkste factor voor succes, schrijft Erik Billiaert in het boek Lezen en spellen. Soms is het volgens hem goed om teksten te laten lezen die eigenlijk te makkelijk zijn, omdat een kind daar snel succes bij voelt. Andere kinderen zien de lol van lezen pas in als de tekst hen interesseert; daarbij gaat het dan vaak om teksten die juist te moeilijk zijn. Of, zoals een vader vertelde: “Ik krijg mijn kind met geen tien paarden aan een boek. Maar lezen is lezen, dus heb ik op de rommelmarkt een aantal oude jaargangen van Donald Duck gekocht. Die heeft Niels inmiddels zo veel gelezen dat ze bijna uit elkaar vallen. Niet alleen zijn leestempo is er enorm door omhoog gegaan, ook zijn woordenschat blijkt sterk verbeterd.”

Vertel de voordelen van snel(ler) kunnen lezen

Niet alleen motivatie om te lezen, maar ook motivatie om sneller te leren lezen is belangrijk. Leg uit waaróm het belangrijk is dat je kind wat sneller leert lezen. Wijs niet alleen op de schoolse aspecten, maar zoek ook voordelen die direct aanspreken: “Als je sneller kunt lezen, kan je de ondertiteling lezen bij die-en-die film. Die wilde je toch zo graag zien?”

Herhaald lezen en belonen

Bij Kas (zie hierboven) werkte het niet, maar ‘herhaald lezen’ is wel een beproefde methode om het leestempo op te krikken: enkele dagen achter elkaar dezelfde tekst laten lezen en bijhouden hoe lang je kind erover doet. Gecombineerd met een beloningsstysteem (stickers, lievelingseten koken, wat langer opblijven) is dit voor veel kinderen een effectieve methode.

Lees samen: in een vlot tempo

Lees de tekst samen met je kind hardop en zorg als ouder dat het tempo wat hoger ligt dan het normale leestempo van je kind. Zo ‘sleur’ je je kind mee.

Lees samen: om en om

Lees samen een boekje: eerst jij een pagina, dan je kind een pagina; of eerst jij een zin, dan je kind een zin.

Vingerlezen

‘Meelezen’ met de vinger is voor veel kinderen die moeite hebben met lezen een grote steun. Hetzelfde geldt voor gebruik van een bladwijzer die de tekst afdekt onder of juist boven de regel (veel kinderen willen weten wat er komt en dekken liever de al gelezen tekst af). Soms wordt hier wat afkeurend over gedaan, waardoor kinderen die er baat bij hebben niet meer durven vingerlezen.

Probeer eens uit of je kind makkelijker leest als hij de woorden aanwijst. Je kunt overigens ook zelf de woorden aanwijzen om een wat hoger leestempo af te dwingen. Doe dat met een pen of potlood en wijs bovenlangs aan, zodat je niet in het gezichtsveld van je kind zit.

Lezen van een scherm

Laat je kind eens lezen op de iPad of een e-reader, als je die hebt. Sommige kinderen vinden dit prettiger (of leuker) dan lezen in een boek, mede omdat lettergrootte en verlichting naar eigen voorkeur zijn aan te passen.

Lezen en bewegen

Als je kind moeite heeft met stilzitten en liever lekker actief bezig is, is het volgende spel het proberen waard. Het is een tip van moeder met een zoon met ADHD. “Schrijf op een stuk papier allerlei woorden die je kind zou moeten kunnen lezen (kies bijvoorbeeld voor woorden of lettercombinaties waar je kind moeite mee heeft) en knip die woorden uit zodat woordkaartjes ontstaan. Schrijf de woorden ook op een aparte lijst, voor je eigen controle.

Gooi de woordkaartjes in de lucht en laat ze op de grond vallen. Noem nu een woord van je lijst en vraag je kind het kaartje met dat woord zo snel mogelijk aan jou te geven. Ga zo door tot alle kaartjes op zijn. Het is even chaos, maar je bent zo op een heel andere manier met lezen bezig.”

Doe leesspelletjes

Zit je kind in groep 3 en leert het lezen via de methode Veilig Leren Lezen? Op het oudergedeelte van de website van uitgeverij Zwijsen staan gratis spelletjes die aansluiten bij de methode van school.

Leerkracht Kees Versteeg van basisschool De Regenboog in Gorichem ontwikkelde het computerspelletje WoordenTrainer om te oefenen met het lezen van woorden. In een schermpje verschijnen woorden van onder naar boven, die je kind hardop moet lezen voordat ze weer uit beeld verdwijnen. WoordenTrainer kan worden ingesteld op 7 niveaus en drie tempo’s. Je kunt het spel dus precies op maat maken voor jouw kind, of het nu in groep 3 zit of in groep 8. Ga er zelf bijzitten, zodat je je kind kunt verbeteren als het de woorden niet goed leest.

Avi-lezen in het aangegeven tempo

Op deze website worden teksten behorend bij een bepaald Avi-niveau aangeboden, mét het tempo waarin de tekst gelezen moet worden. De te lezen tekst krijgt woord voor woord een andere kleur. Voor je kind is het een sport om de kleur bij te kunnen houden. Let wel op dat het niet té snel gaat, anders ligt frustratie op de loer. Het is al een oude site en dat is te merken. Helaas werkt bij een aantal teksten de tempo-indicatie niet of niet goed. Bovendien worden de oude Avi-aanduidingen (van vóór 2008)gebruikt , maar met een omrekentabel heb je zo het juiste niveau te pakken.

Lezen on the road

Borden lezen langs de snelweg is een mooie oefening in vlot lezen.

Borden lezen langs de snelweg

Veel kinderen vinden het leuk om tijdens lange autoritten de borden te ontcijferen. Wijs je zoon of dochter op de borden langs de snelweg en vraag of hij of zij kan lezen welke plaatsnamen er opstaan (of alleen de bovenste, afhankelijk van het leesniveau). De auto rijdt door, dus het lezen móet snel gaan. Lukt het niet (helemaal), vertel dan welke plaatsnaam er op het bord stond. Langs de snelweg worden afritborden een keer herhaald. Lukt het de tweede keer wel om de plaatsnaam te lezen? “Toen in mijn kinderen in groep 3 zaten, vonden ze dat helemaal geweldig”, herinnert tweelingvader Kees de Vos zich. “Het was echt een sport voor hen om als eerste alle plaatsnamen gelezen te hebben. ”

Digitaal voorlezen

Op de website Leesmevoor.nl worden digitale prentenboeken voorgelezen. De tekst staat daarbij ook in beeld. Je kind kan meelezen met de voorleesstem en proberen het tempo bij te houden.

Samenleesboeken

Ga in de boekhandel of bibliotheek op zoek naar ‘samenleesboeken’. Dat zijn boeken die speciaal geschreven zijn om door een ouder samen met een kind gelezen te worden. Stukjes makkelijke tekst die je kind leest, worden afgewisseld met moeilijker tekst die jij als ouder voor je rekening neemt.

Gamend lezen: help de aliens

Begin 2017 is de serious game WordSpeed gelanceerd, een interactieve game waarmee kinderen spelenderwijs oefenen met woordjes lezen. In de game is je kind een superheld die Aliens gaat helpen om onze taal beter te begrijpen. Het programma past zich automatisch aan het niveau van je kind aan en is geschikt voor alle kinderen die moeite hebben met lezen (ook kinderen met dyslexie). Je kunt WordSpeed drie dagen lang gratis uitproberen; daarna kost het € 12,50 per maand. Niet goedkoop, maar het is wel een erg leuke manier voor kinderen om dagelijks te oefenen met lezen.

WordSpeed, spelenderwijs technisch lezen

WordSpeed, spelenderwijs technisch lezen

© Thuisinonderwijs.nl, 2012. Bijgewerkt: februari 2017

Verder lezen

Dyslexie, bestaat dat nou wel of niet?

Dyslexie, bestaat dat nou wel of niet?

13 februari 2017 | Reacties (0)

Steeds meer kinderen in Nederland krijgen de diagnose dyslexie. Het gaat tegenwoordig om zo’n 15 procent van de kinderen. Al langer rijst de vraag hoe terecht die diagnose is. Een aantal hoogleraren heeft daar een schepje bovenop gedaan door in het AD te stellen dat de leesproblemen van veel kinderen het gevolg zijn van slecht onderwijs.

Hoogleraar Anna Bosman (Radboud Universiteit Nijmegen) doet al sinds 2007 onderzoek naar dyslexie. Ze wijt de dyslexie-epidemie aan één oorzaak: “Er wordt gewoon te weinig geoefend”, zegt ze. “Kinderen moeten de spellingregels goed in hun hoofd hebben. Bijvoorbeeld dat een g-klank voor een ‘t’ vrijwel altijd een ‘ch’ is en geen ‘g’.”

Wat is dyslexie?

Dyslexie betekent letterlijk ‘niet kunnen lezen’. Dyslexie is een leerstoornis die ervoor zorgt dat je kind hardnekkige problemen heeft met lezen, spellen en ook schrijven. Ook het snel kunnen verwerken van informatie en bijvoorbeeld de tafels leren of iets opzoeken in een woordenboek kunnen moeizaam gaan.

Voordat gesproken wordt over dyslexie, wordt eerst nagegaan of er geen andere oorzaken zijn die de leesproblemen van je kind kunnen verklaren. Dyslexie kan alleen door een orthopedagoog of een psycholoog worden vastgesteld.

Als die de diagnose stelt, krijgt je kind een ‘dyslexieverklaring’. Kinderen met zo’n verklaring krijgen meer faciliteiten. Ze mogen bijvoorbeeld langer over proefwerken of toetsen doen en krijgen opgaven in een groter lettertype. Ook zijn er (ict-)hulpmiddelen die kinderen met dyslexie kunnen helpen.

Bij dyslexie sprake is van een erfelijke factor. Als jij dyslexie hebt, of je partner, is de kans veertig tot vijftig procent dat jullie kind ook dyslectisch is. Zijn jullie beiden dyslectisch, dan is de kans zelf tachtig procent.

Kinderen met ernstige enkelvoudie dyslexie kunnen een dyslexiebehandelinge volgen: ze gaan dan 1,5 jaar lang 5 keer per week oefenen. Dat is intensief, maar ze boeken wel vooruitgang.

Zorgelijk stijging

Op grond van onderzoek hebben wetenschappers vastgesteld dat in Nederland bij 3,6 procent van de kinderen sprake is van ‘ernstige enkelvoudige dyslexie’. Volgens internationaal onderzoek is een dyslexiepercentage van rond de 10 normaal.

In 2011 kreeg nog zo’n 10 procent van de leerlingen een dyslexieverklaring, in 2015 was dat al bijna 15 procent. Het aantal kinderen dat de eindtoets in groep 8 doet met een dyslexieverklaring wordt steeds hoger. Eind vorig jaar gaven minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker al aan die ontwikkeling zorgelijk te vinden. Ze houden er rekening mee dat sommige leerlingen ten onrechte het etiket dyslexie hebben gekregen.

Daar lijkt de recente stellingname van de hoogleraren hen gelijk in te geven. Volgens Anna Bosman wordt de oorzaak bijna altijd bij het kind gezocht als er leerproblemen zijn. “We vergeten te checken of er wel goed onderwijs is gegeven.” Uit haar studies blijkt dat met wetenschappelijk onderbouwde methodes kinderen met sprongen vooruitgaan. “Ik vraag me zelfs af of dyslexie wel bestaat”, zegt ze in het AD.

Zo ver wil haar collega-hoogleraar Ben Maassen, ook een autoriteit op het gebied van dyslexie, niet gaan. Volgens bestaat erfelijke dyslexie wel degelijk, maar dat heeft maar minder dan 5 procent van de kinderen.

Niet minder lezen, maar juist méér

Er bij kinderen met een dyslexieverklaring sprake van een vreemde paradox. Ze hoeven op school juist minder te lezen en spellen, terwijl bekend is dat oefenen veel problemen oplost of verkleint. Dyslexie-expert en hoogleraar Kees Vernooy begeleidde in 2006 het Leesverbeterplan op 45 Enschedese basisscholen. Dyslexie en laaggeletterdheid verdwenen onder de 10.000 leerlingen als sneeuw voor de zon. “De scheiding tussen laaggeletterdheid en dyslexie is flinterdun”, zegt Kees Vernooy in dagblad Tubantia.

Vernooy wijst erop dat dyslexieverklaringen vooral voorkomen bij kinderen van hoogopgeleide ouders. Die zijn vaak mondig en dus in staat om zo’n dyslexieverklaring te verkrijgen.” Vernooy heeft het over ‘pseudodyslecten’.

 

 

Verder lezen

Kerstvakantie – reken maar!

Kerstvakantie – reken maar!

21 december 2016 | Reacties (0)

De kerstvakantie komt eraan. De tijd om gezellige dingen te doen met je gezin. Maar ook om te leren! Want wist je dat kinderen thuis minstens zo veel leren als op school? ‘Informeel leren’ heet dat: kinderen leren uit alledaagse situaties. Door je hier als ouder bewust van te zijn, kun je je kind stimuleren thuis belangrijke vaardigheden en kennis op te doen en een brug te slaan met leren op school. Bovendien leggen kinderen door het ontwikkelen van het informeel leren de basis voor een leven lang leren*.

Informeel leren gaat vanzelf. Daar hoef je als ouder dus eigenlijk niets voor te doen. Wat je wel kunt doen, is zorgen dat je kind in leerzame situaties terechtkomt. Een bezoekje aan een museum is daarvan een voorbeeld. Maar je hoeft er de deur niet voor uit. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar de manieren waarop je kind thuis van alles leert tijdens het kerstkransjes bakken of kerstkaartjes bekijken.

Kerstkransjes bakken

Stel, je gaat kerstkransjes bakken met je kind. Een leuke vakantie-activiteit. En heel leerzaam! Voor kleuters is dat een mooi moment om het begrip ‘cirkel’ te leren kennen. En misschien zijn er nog wel meer cirkels te vinden in de huis? Koekjes bakken is bovendien heel goed voor de ontwikkeling van de motoriek, het trainen van de ooghandcoördinatie en voor het oefenen van geconcentreerd met een ‘taak’ bezig zijn.

Je zou het misschien niet zeggen, maar kerstkransjes bakken vergroot ook de taalvaardigheid. Je zoon vergroot zijn woordenschat (bloem, zeef, mixer, deeg) en moet ‘begrijpend luisteren’ om te snappen wat hij moet doen als jij zegt dat hij 200 gram bloem moet afwegen. Leest je dochter zelf het recept, dan is ze bezig met ‘begrijpend lezen’.

Daarnaast oefent je kind tijdens het bakken allerlei rekenvaardigheden. Denk maar aan het wegen met een weegschaal en uitrekenen hoeveel gram er van een ingrediënt bij moet, of het afmeten van een liter melk, het tellen van de eieren of het toevoegen van een theelepel kaneel.

Koekjes bakken is eveneens een inzichtelijk lesje voedingsleer. Je kind ziet met eigen ogen hoeveel boter en suiker er in koekjes zit; een mooi aanknopingspunt om het eens over gezonde voeding te hebben.

Weet je kind al hoe meel wordt gemaakt? Vertel over het proces van graan en de molen, of bekijk er een filmpje over:

Graan malen – Zo wordt van graan meel gemaakt

Uploaded by Pamupus on 2016-10-31.

En wist je dat koekjes bakken eigenlijk gewoon keiharde scheikunde is? Als je de koekjes de oven inschuift, zet een je een chemisch proces in werking dat ene substantie (deeg) in een andere verandert (koekjes). Dit filmpje vertelt je er meer over:

The chemistry of cookies – Stephanie Warren

View full lesson: http://ed.ted.com/lessons/the-chemistry-of-cookies-stephanie-warren You stick cookie dough into an oven, and magically, you get a plate of warm, gooey cookies. Except it’s not magic; it’s science. Stephanie Warren explains via basic chemistry principles how the dough spreads out, at what temperature we can kill salmonella, and why that intoxicating smell wafting from your oven indicates that the cookies are ready for eating.

Kerstkaartjes gekregen?

Er worden niet meer zo kerstkaartjes verstuurd als vroeger, maar de kans is groot dat je er toch heel wat hebt ontvangen de afgelopen dagen. Hoeveel eigenlijk? Kleuters vinden het leuk om te tellen. Hebben ze allemaal dezelfde vorm? Vast niet. Welke vormen kent je kleuter al? Welke vorm komt het meest voor?

Door te praten over wie de kaarten heeft gestuurd, leert je kind over zijn eigen persoonlijke geschiedenis. Door te kijken waar ze vandaan komen, komt er ineens wat topografie om de hoek kijken. Welk kaartje heeft de verste afstand afgelegd?

 

Natuurlijk zijn er veel meer voorbeelden te noemen van hoe kinderen thuis kunnen leren. Want eigenlijk komt het erop neer: kinderen leren letterlijk van alles. Als je erop gaat letten, zie je het vanzelf. Je zult merken dat je er zelf ook meer op gaat inspelen, door nét even die vraag te stellen die je kind aan het denken zet, of een opdrachtje te geven dat je kind prikkelt om iets nieuws te leren. Daarmee benut je gouden kansen om je kind op een ongedwongen manier in zijn of haar ontwikkeling te stimuleren.

 

Informeel leren, Expertixecentrum Ontwikkeling, Opvang en Onderwijs

Verder lezen

Spiegelschrift: heel normaal voor kleuters

Spiegelschrift: heel normaal voor kleuters

15 december 2016 | Reacties (3)

Schrijft jouw kleuter ook in spiegelbeeld? Letters, cijfers of zelfs hele woorden? Maak je geen zorgen, dat is doodnormaal bij jonge kinderen. Het heeft niets te maken met dyslexie of andere leerproblemen, maar hangt samen met de hersenontwikkeling van kleuters.

Hans kan sinds kort zijn eigen naam schrijven, in grote onhandige hanenpoten. Apetrots is hij. Maar gek genoeg schrijft hij de N en S consequent in spiegelbeeld. Soms schrijft hij ‘sNAH’, zijn eigen naam ook achterstevoren. Ik was bang dat dit misschien een vroege vorm van dyslexie was, maar toen zijn juf vertelde dat dit heel normaal is bij kinderen op deze leeftijd, herinnerde ik me weer dat Corné en Jaap het destijds inderdaad ook deden.
Agnes, moeder van Hans (5), Jaap (9) en Corné (11)

Het kleuterbrein doet niet aan links en rechts

Zoals de juf van Hans al vertelde, komt schrijven in spiegelbeeld heel veel voor bij kleuters. Je hoeft je daar absoluut geen zorgen over te maken. Bij het schrijven doe je een beroep op een deel van de hersenen dat gevoelig is voor gespiegelde informatie.

Bij kinderen tot een jaar of 7 is het zogeheten lateralisatieproces nog in volle gang. Ze zijn zich nog niet goed bewust van de verschillen tussen links en rechts en kunnen richtingen als van rechts naar links en van boven naar beneden nog niet goed herkennen en toepassen. Daardoor kunnen kleuters net zo gemakkelijk van links naar rechts schrijven als andersom en voelt het voor hen precies hetzelfde.

Verbeteren heeft geen zin

Grappig is ook dat het daardoor meestal geen zin heeft om je kleuter op zijn ‘fout’ te wijzen. Links, rechts, spiegelbeeld of niet, een kleuter ziet het verschil niet. Het brein van Hans geeft zijn hand de opdracht om zijn naam te schrijven, maar in welke richting dat gebeurt maakt het brein nog niet zo veel uit. Kleuterdeskundigen gebruiken dit gegeven dan ook als een van de argumenten om te onderbouwen waarom kleuters nog niet toe zijn aan echt schrijven. Pas als het Hans’ brein verder ontwikkeld is en Hans meer voorbeelden heeft gezien van hoe zijn naam er uit moet zien, zal hij op een gegeven moment denken ‘Hé, dat staat daar niet goed’ en later ‘Dat staat er in spiegelbeeld!’

Letters omdraaien in groep 3

Het omkeren van letters of vergissen in de schrijfrichting is niet van de ene op de andere dag verdwenen. Ook in groep 3 of zelfs 4 kan je kind omkeringen blijven schrijven, bijvoorbeeld bij de s-z, m-n, t-f, b-d-p en eu-ui-ou. Dit verschijnsel wordt vanzelf minder en verdwijnt naarmate je kind meer leeservaring heeft opgedaan. Dyslectische kinderen kunnen langer dan gemiddeld in spiegelbeeld blijven schrijven, doordat kinderen met dyslexie moeite hebben de koppeling tussen klank en letter te onthouden.

Verder lezen

Tips om je kind te helpen met concentreren

Tips om je kind te helpen met concentreren

22 november 2016 | Reacties (0)

Je dochter is een dromer. Je zoon kan niet stilzitten.  Je kind is door het minste of geringste afgeleid. Misschien heb je tijdens het tienminutengesprek te horen gekregen dat je kind moeite heeft om zich te concentreren. Is dat erg? Hoe kun je je kind helpen? In dit artikel zetten we het voor je op een rijtje.

hoe-leert-een-kind-zich-concentreren

”De juf gaf aan dat Jayden moeite heeft om zich te concentreren. Tijdens het zelfstandig werken kan zijn aandacht niet vasthouden. Hij bemoeit zich met alles en iedereen behalve zijn eigen taakjes. Ik herken het wel van thuis. Jayden doet uren over een bord eten omdat zij druk is met alles om zich heen. Maar als hij met Lego speelt of aan het gamen is, kan hij zich urenlang concentreren. Hoe kan dat?”

 

Wat is concentratie?

Concentratie wordt vaak omschreven als aandacht of focus. Aandacht is een mechanisme dat de enorme hoeveelheid aan prikkels die op ons afkomt filtert. Het richten van de aandacht valt daarbij te vergelijken met de werking van een vergrootglas.* Het wordt ook wel ‘selectiviteit in de waarneming’ genoemd.** Daarbij spelen ook de factoren ‘tijd’ en ‘intensiteit’ een rol. We hebben het pas over concentratie als je gedurende wat langere tijd met een zekere intensiteit met iets bezig bent.

‘Concentratievermogen’ is geen in beton gegoten waarde. Dat blijkt wel uit het verhaal van Jayden. Bij zijn schooltaakjes kan hij moeilijk de aandacht vasthouden, maar als hij aan het spelen is, is hij langere tijd volledig gefocust.

Vrijwillige concentratie en gedwongen concentratie

Dat de concentratie varieert is een verschijnsel dat iedereen vertoont. Denk maar aan jezelf. Stel, je wordt op een feestje aangesproken door een aardige, maar ook nogal saaie persoon. Hij steekt een ellenlang verhaal af over een van zijn hobby’s. Omdat je het sneu vindt om niet even met hem te praten, probeer je op gepaste momenten ‘ja’ en ‘nee’ te zeggen en een vraag te stellen. Dat lukt matig. Zodra twee vrienden van je pal achter je een gesprek beginnen waaraan je dolgraag zou willen meedoen, is je concencratie helemaal weg. “Eh… sorry, wat zei je….?”

Als het gaat om concentratie, is er een onderscheid in vrijwillige concentratie en gedwongen concentratie. Als je iets doet wat je leuk vindt en waar je zelf voor kiest (vrijwillige concentratie), komt de concentratie vanzelf en kun je je dieper en langer focussen. Moet je je verplicht op een bepaalde taak richten (gedwongen concentratie), dan is dit een stuk moeilijker.

Dat een kind op school vaak dingen moet doen waar hij of zij niet zelf voor kiest, wil niet zeggen dat er bij schoolwerk alleen maar sprake is van gedwongen concentratie. Bij een kind dat het taakje met plezier en motivatie doet, vallen gedwongen concentratie en vrijwillige concentratie samen.

Leeftijd en concentratie

Ook leeftijd speelt een belangrijke rol bij concentratie. Jonge kinderen hebben een veel kortere aandachtsboog dan oudere kinderen. Hun aandacht wordt al snel door iets anders opgeëist. Ze kunnen zich bij het uitvoeren van een taak veel moeilijker afsluiten voor afleidende prikkels dan oudere kinderen. Als richtlijn geldt:

  • 6 jaar: 10 minuten
  • 10 jaar: 20 minuten
  • 13 jaar en ouder: 30 minuten

Kán je kind zich niet concentreren of lúkt het concentreren niet?

Daarnaast is aanleg een factor. De één kan zich van nature nu eenmaal makkelijker afsluiten voor prikkels en invloeden van buitenaf dan de ander. Bij kinderen met ADD of ADHD zijn de concentratieproblemen groter dan gemiddeld. Dit betekent echter niet dat je kind ‘dus’ ADD of ADHD ‘heeft’.

Concentratieproblemen zijn onder te verdelen in twee soorten:

  1. je kind heeft wel het vermogen om zich te concentreren, maar het lukt niet. Bijvoorbeeld doordat er de omstandigheden zijn die dit moeilijk maken. Dit worden concentratiebelemmeringen genoemd. Belemmeringen kunnen zijn: de leerstof is te moeilijk, de les is saai, de klas is rumoerig of je kind heeft te weinig geslapen.
  2. er is sprake van een concentratiestoornis: het concentratievermogen ontbreekt. Bij een concentratiestoornis kan het gaan om de tijdsduur van concentratie (slechts heel kort), om snel afgeleid zijn of om niet efficiënt kunnen focussen.

Bij de meeste kinderen met concentratieproblemen is er geen sprake van een stoornis.

Concentreren is iets wat je in je ontwikkeling moet leren. Het is een vaardigheid die je kind kan (en moet) oefenen. Meestal gebeurt dat vanzelf. Maar er zijn ook dingen die je kunt doen om te helpen zolang je kind zich uit zichzelf nog niet goed genoeg kan concentreren.

 

Hoe verbeter je de concentratie?

Laten we beginnen met wat niet werkt, maar wat – gek genoeg – de eerste methode is die meestal wordt geprobeerd. Namelijk zeggen tegen het kind dat het zich moet concentreren:

  • “Houd je hoofd er nu eens bij.”
  • “Concentreer je nou eens.”

Of, in een variant: “Zit eens stil. Als je zo beweegt kun je je toch niet concentreren?”

Hoewel de eerste twee opmerkingen wel kunnen helpen om een kind eraan te herinneren dat dit een situatie is die om zijn concentratievaardigheden vraagt, helpen ze niet om die vaardigheden daadwerkelijk te vergroten. Zonder de ‘skills’ om te focussen, valt er maar weinig te concentreren.

Beweging helpt kinderen om zich te concentreren

Wiebelen en friemelen

De tweede opmerking (‘zit eens stil’) berust op een ouderwetse opvatting die door modern onderzoek is verworpen. Tegenwoordig is bekend dat beweging juist goed is voor de concentratie. Kinderen die tijdens de reken- en taallessen bewegen, leren veel meer dan kinderen die stilzitten, zo ontdekten wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen. Ze leren met meer aandacht en zijn beter bij de les.

Dat geldt niet alleen voor ‘grote’ bewegingen, maar ook voor ‘kleine’. Denk maar aan de tekeningetjes die je zelf maakt tijdens een vergadering of telefoongesprek. Ze helpen om je aandacht erbij te houden. Ook kinderen gebruiken (onbewust) die techniek: ze friemelen aan hun kleren, kauwen op hun pen, wippen heen en weer op hun stoel, draaien een haarlok om hun vingers of neuriën een liedje.

Als volwassene vinden we dat gedrag vaak irritant en vragen we het kind ermee op te houden. Dat is jammer, want daarmee maken we het voor een kind moeilijker om zich te concentreren. Soms kan het niet anders. Want het gedrag dat het ene kind helpt om zich te concentreren, kan voor klasgenoten zó storend zijn dat zij zich juist niet meer kunnen concentreren.

Als jouw kind zo’n stoorzendertje is, kan het een goed idee zijn om op zoek te gaan naar een manier waarop jouw kind kan friemelen of bewegen zonder dat het anderen stoort. Er zijn allerlei attributen te koop die kunnen helpen, zoals een wiebelkussen voor beweeglijke kinderen, een tangle waarmee je kind kan friemelen of speciale sieraden om op te kauwen of sabbelen. Bespreek het vooral ook even met de leerkracht voordat je iets aanschaft. Op school is soms al materiaal aanwezig en soms hebben scholen een duidelijke voorkeur voor producten.

Regelmatig sporten en bewegen

Beweging tijdens het concentreren helpt, maar ook gewoon sporten en bewegen verbeteren het concentratievermogen. Jongeren die veel bewegen kunnen zich beter concentreren op school, zo bleek vorig jaar uit promotieonderzoek aan de Open Universiteit. Alleen al met de fiets of lopend naar school gaan in plaats van met de auto bleek – opvallend genoeg specifiek voor meisjes – te helpen om zich op school beter te kunnen concentreren.

De gunstige werking van beweging op het concentratievermogen is ook wat kinderen en leerkrachten ontdekken die op school meedoen met de Daily Mile: elke dag een kwartier hardlopen tijdens schooltijd om kinderen voldoende te laten bewegen. Het verschijnsel begon in Engeland en krijgt sinds dit schooljaar ook in Nederland voet aan de grond: als de concentratie inzakt, gaat de hele klas een kwartiertje hardlopen en iedereen kan weer fris en gefocust aan de slag.

Leerlingen groep 6 De Bakelgeert rennen elke dag The Daily Mile

De kinderen van groep 6 van basisschool De Bakelgeert in Boxmeer gaan iedere doordeweekse dag 1,5 kilometer hardlopen. Tussen de lessen door lopen ze rondjes in het park. Het project heet The Daily Mile en is overgewaaid vanuit Schotland.

‘Laat je niet afleiden’

“Laat je toch niet zo afleiden.” Een andere dooddoener om tegen een snel afgeleid kind te zeggen. Het kind kiest er immers niet voor om afgeleid te raken, het gebeurt gewoon… Je kind weet wel dat er aandacht nodig is om iets te leren, maar het lukt nog niet om de nieuwsgierigheid naar al het andere om hem heen lang genoeg te onderdrukken. Jonge basisschoolkinderen hebben hiervoor nog niet genoeg zelfdiscipline.

concentratie-werkplek-kids-f-type-1-_-tbv-tafel-70-x-50-cm-kopen_-_-heutink-nlZolang het je kind nog niet lukt om zich af te sluiten voor prikkels die zijn of haar aandacht vragen, kan het helpen om te zorgen dat de prikkels je kind niet bereiken. Geluidsdempende koptelefoons zijn op de basisschool al helemaal ingeburgerd. Ze houden niet alle geluiden tegen, maar dempen stemmen van klasgenoten net genoeg om ze te kunnen negeren.
Op veel scholen mogen de kinderen zelf kiezen waar ze gaan zitten tijdens het zelfstandig werken. Kinderen die van rust houden, kiezen een rustig plekje. Kinderen die juist gedijen bij wat reuring (voor sommigen is dat juist goed voor de concentratie!) kiezen een wat rumoeriger omgeving. Heeft jouw kind op school geen keuze over de werkplek, of laat je zoon of dochter zich ook op een rustige plek nog te veel afleiden, dan kan een speciaal scherm op het tafeltje een uitkomst zijn. Die houdt visuele prikkels tegen: je kind heeft geen uitzicht meer en moet dus wel naar het taakje kijken.

 

Concentreren kun je leren

Trucjes en hulpmiddelen kunnen je kind helpen, maar uiteindelijk is het doel natuurlijk dat je kind zich op eigen kracht kan concentreren. Dat is een vaardigheid waar je kind levenslang de vruchten van zal plukken.

Train het werkgeheugen

Uit onderzoek blijkt dat problemen in de aandacht en concentratie vaak te maken hebben met problemen met het werkgeheugen. Het werkgeheugen is de plek waar informatie tijdelijk wordt opgeslagen in de hersenen. Door het werkgeheugen te trainen, wordt het groter.

Kleuters kunnen al heel goed oefeningetjes doen. Geef je kind bijvoorbeeld kleine opdrachtjes waarin je de uiteindelijke taak even uitstelt: “Loop eerst naar de voordeur, ga dan naar de keuken, haal twee mandarijntjes op en bouw daarna een legotoren van vijf blokjes.” Je kunt de reeks steeds langer maken. Daarmee traint je kind zijn werkgeheugen. Kleuters vinden dit vaak erg leuke spelletjes om te doen.

Wat helpt om de concentratie beter vast te houden: leer je kind om een grote opdracht in kleinere taakjes op te delen. ‘Ruim je kamer op’ kan een te grote opdracht zijn. De kans is groot dat je kind na een minuut op de grond zit te spelen met speelgoed dat eigenlijk had moeten worden opgeruimd. Door zo’n taak op te delen leert je kind niet alleen naar een doel toe te plannen, maar wordt het werk ook opgedeeld in kleine brokjes die concentratie vragen, waarna er even gepauzeerd kan worden. Eerst de verkleedkleren in de la doen. Dan alle knuffels in de mand stoppen. De stiften moeten in het pennenbakje. Tot slot alleen nog even alle Playmobil opruimen en klaar is Kees.

 

Spelletjes spelen om beter te leren concentreren

schaken kinderen

Een van de leukste manieren om je concentratie te trainen is spellen spelen. Bij heel veel spellen speelt het vermogen om de aandacht erbij te houden een rol. Neem maar eens een kijkje in de spelletjeskast; je komt daarin vast spellen tegen waarbij concentreren belangrijk is, zoals Memory, Stratego, Halli Galli, Dokter Bibber, etcetera. Of haal het schaakbord uit de kast. Kinderen die regelmatig schaken kunnen zich duidelijk merkbaar beter concentreren.

Ook belangrijk voor de concentratie

  • Voldoende slaap
  • Een gezond ontbijt
  • Voldoende water drinken
  • Goede balans tussen concentreren en ontspannen
  • Geen zorgen, angst of spanningen of last van veranderingen

 

Of is het toch een concentratiestoornis?

Zoals gezegd: er zijn veel kinderen die concentratieproblemen hebben. Maar concentratieproblemen kunnen ook een dieperliggende oorzaak hebben. Vermoed je dat er bij jouw kind meer aan de hand is? Bespreek dit dan met de leerkracht of met je huisarts. Vertel waarover je je zorgen maakt en waarom. Samen kunnen jullie bepalen of er extra hulp nodig is en wat dan de beste aanpak is.

 

* Liesbeth van Beemen, Ontwikkelingspsychologie, Wolters-Noordhoff (2006), p.102

** Jacques Soonius, Psychologie in hoofdlijnen, Boom Lemma (2014), p. 36

Verder lezen

Is jouw kind een 'risicolezer'?

Is jouw kind een ‘risicolezer’?

18 oktober 2016 | Reacties (0)

Problemen met lezen komen het meest voor in groep 3. Voor veel ouders is dat schrikken; zij vrezen dat hun kind misschien dyslexie heeft, een leerstoornis die blijvende problemen met lezen met zich meebrengt. Vaak is die angst voorbarig. Moeite met het leren lezen in groep 3 is een veelvoorkomend probleem.

moeite-met-leren-lezen-in-groep-3

Meer dan tien procent van de kinderen kan het normale tempo in groep 3 niet helemaal bijbenen omdat ze in hun ontwikkeling nog niet helemaal toe zijn aan leren lezen en schrijven. Met extra hulp gaan zij vaak goed vooruit, waardoor ze al snel weer kunnen ‘aanhaken’.

Lukt het beetje met leren lezen?

Een hulpmiddel voor de leerkracht om in groep 3 snel te kunnen ingrijpen als een kind achterblijft met lezen is de ‘herfstsignalering’. Na de eerste maanden leesonderwijs, rond de herfstvakantie, wordt per kind zorgvuldig bekeken of het een beetje lukt met leren lezen.

Door middel van toetsen wordt precies vastgesteld hoe je kind zich redt met klankherkenning, letters benoemen, letters schrijven, woordjes en zinnetjes lezen. Het is belangrijk om te weten of de kinderen de letters en woorden die tot nu toe zijn geleerd ook geautomatiseerd en onthouden hebben. Ook het leestempo (hoeveel woorden kan een kind lezen in een minuut) en het technisch lezen (kan een kind nieuwe woorden lezen met de aangeleerde letters) komen in deze toets aan bod.

Deze eerste toets brengt niet alleen de kinderen in beeld die moeite hebben met lezen, maar ook de goede lezers. Sommige kinderen blijken nu al alle letters te kennen en nieuwe woorden in snel tempo te kunnen lezen. Die kinderen kunnen op basis van deze toets in het vervolg met moeilijker lesjes aan de slag.

Vroeg ingrijpen voorkomt vastlopen bij leren lezen

De herfstsignalering heeft echter vooral een preventief doel. Door ‘risicolezers’ vroeg op te sporen, wordt voorkomen dat deze kinderen pas geholpen worden als ze echt zijn vastgelopen. Daarnaast helpt de herfstsignalering om kinderen die mogelijk dyslexie hebben snel in beeld te krijgen. Niet voor niets is de herfstsignalering onderdeel van het dyslexieprotocol van basisscholen.

Foto: Nationale Beeldbank/Klara Schreuder

Mijn kind loopt achter in groep 3: wat nu?

In de meeste gevallen krijgen de kinderen extra hulp van hun groepsleerkracht in hun eigen klas, maar soms is het beter kinderen apart of in kleine groepjes te helpen. Er kan ook een onderwijsassistent, remedial teacher of intern begeleider worden ingeschakeld om extra hulp en begeleiding te geven. Dit gebeurt altijd in overleg met de ouders.

Maakt je kind onvoldoende vorderingen, dan wordt een plan van aanpak opgesteld, waarin wordt beschreven hoe gedurende een bepaalde periode met je kind apart speciale vaardigheden worden geoefend.

Is al die extra aandacht niet een beetje overdreven?

Veel ouders voelen zich behoorlijk overdonderd als hun kind na een paar maanden in groep 3 al extra begeleiding moet krijgen. Is dat nu allemaal wel nodig? Komt het lezen niet vanzelf als het kind een beetje ‘rijpt’? Nee, zeggen onderwijsdeskundigen. Uit onderzoek blijkt dat leren lezen namelijk geen ‘natuurlijk leerproces’ is. Zonder extra inspanning komt het niet vanzelf goed. Sterker nog, hoe langer wordt gewacht met hulp bieden, hoe kleiner de kans op een goede ontwikkeling.

Mijn kind haalt de b en de d door elkaar. Is dat erg?

Veel kinderen halen in de eerste helft van groep 3 de letters b en d nog door elkaar. Dat is nu nog niet iets om je zorgen over te maken. Ga de letters niet los oefenen. Vraag je kind ook niet of een letter een b of een d is. Dat leidt namelijk alleen maar tot extra verwarring: je kind hoort beide klanken bij dezelfde letter. Iedere keer dat je kind twijfelt, wordt de verwarring groter. Je kunt beter de letter zeggen voordat je kind de kans krijgt om te twijfelen. Probeer de letters zo veel mogelijk in woorden te oefenen, in plaats van los.

Of heeft mijn kind misschien toch dyslexie?

Lang niet alle kinderen met leesproblemen in groep 3 hebben dyslexie. De meeste kinderen die moeite hebben met leren lezen, lukt het om met wat extra inspanning weer aan te haken. Ongeveer 2 tot 4 procent van de kinderen heeft dyslexie (jongens vaker dan meisjes). Bij dyslexie speelt erfelijkheid een grote rol. Als één van de ouders dyslexie heeft, dan heeft het kind 40 tot 50% kans op dyslexie. Als beide ouders dyslexie hebben, dan is de kans zelfs 80%. Als er in de hele familie geen dyslexie voorkomt, dan is de kans op dyslexie erg klein.

Ook bij kinderen met dyslexie geldt: hoe eerder het probleem wordt ontdekt, hoe beter. Door al vroeg extra te oefenen en een goede basis te leggen, kan de ernst van de problemen worden verminderd. Dit zorgt ervoor dat een kind beter kan meekomen in de klas.

Vlak voor de herfstvakantie belde de juf ’s avonds om een afspraak met ons te maken. Ze had geconstateerd dat Björn achterbleef met leren lezen. Ik vond dat ze ontzettend overdreef. Het schooljaar was immers nog maar net begonnen, hoe kon je dan al spreken van een achterstand? Hij had het hele schooljaar nog om te leren lezen. We zijn zelfs bij de directeur geweest om verhaal te halen. Zij heeft ons uitgelegd dat ze bewust zo vroeg al kijken naar kinderen die meer moeite hebben dan andere bij het leren lezen, zodat ze die extra kunnen begeleiden. Björn leest nu drie keer per week extra met de klasse-assistent en we oefenen ook thuis met hem. Hij gaat vooruit, maar heel langzaam. Het lijkt erop dat hij misschien dyslectisch is.

Dennis, vader van Björn (in: Hét Basisschoolboek)

Lees ook:

 

Bronnen:

(Foto: Nationale Beeldbank/Klara Scheuder en Freepik)

Verder lezen

Als rood en groen hetzelfde zijn

Als rood en groen hetzelfde zijn

10 oktober 2016 | Reacties (0)

Kleur speelt een heel belangrijke rol op school, vooral in de laagste groepen. Niet alleen bij de expressievakken, maar ook bij leeractiviteiten. Maar wat als je kind kleurenblind is en de kleuren niet goed ziet?

Links: gewoon. Rechts: zo ziet een kind dat kleurenblind is dit plaatje.

 

Vooral jongens zijn kleurenblind

Kleurenblindheid is een aandoening die veel voorkomt, maar waar erg weinig aandacht voor is. Vraag je aan een leerkracht welke kinderen in de klas dyslectisch zijn, dyscalculie hebben of ADHD, dan wijst deze hen probleemloos aan. Vraag je wie er kleurenblind is, dan blijven veel leerkrachten het antwoord schuldig. Laat staan dat de meester of juf paraat heeft met wélke kleuren de leerling precies problemen heeft. En dat terwijl zo’n acht procent van alle jongens kleurenblind is (meisjes zijn bijna nooit kleurenblind) – een veel hoger percentage dan bij andere leerproblemen!

Kleurenblindheid is vooral lastig

Voor een deel zal het ermee te maken hebben dat kleurenblindheid meestal geen onoverkomelijke obstakels voor het leren oplevert. Het is echter wel een ontzettend lastige aandoening, vooral omdat kleurenblinde kinderen vaak zelf niet door hebben dat ze iets missen of iets anders zien.

Weinig kennis over kleurenblindheid

Helaas is op de meeste basisscholen weinig kennis over kleurenblindheid; een leerkracht die er niet bewust op let, zal het vaak niet herkennen, maar eerder concluderen dat je kind de kleuren nog niet herkent of bepaalde taakjes niet begrijpt. Een paar voorbeelden van welke misverstanden er kunnen ontstaan:

  • Je kleuter moet een ketting rijgen van twee rode gevolgd door drie groene kralen en bakt er helemaal niets van. Veel leerkrachten denken in zo’n situatie niet gelijk aan kleurenblindheid: ‘Hij zal de kleurennamen nog wel niet kennen…’ Of ‘het tellen is nog te moeilijk…’ Of ‘hij heeft nog niet voldoende concentratie om taakgericht bezig te zijn’. Terwijl jouw kleurenblinde zoon het taakje met blauwe en gele knikkers misschien wel probleemloos zou uitvoeren.
    Rode en groene kralen?

    Rode en groene kralen?

  • Je zoon doet in groep 4 een begrijpendlezenlesje over kabouters met rode en groene mutsen. Hij komt in de problemen als hij op de plaatjes met antwoorden die hij moet onderstrepen uitsluitend kabouters met bruinige mutsjes ziet – omdat rood, groen en bruin voor hem nu eenmaal één pot nat zijn. Hij zet op de gok een streep en heeft het fout. Als de juf of meester niet weet dat hij kleurenblind is, zal de conclusie al snel zijn dat dat je kind de tekst niet heeft begrepen. Als ze zich van zijn kleurenprobleem bewust is, kan ze door even met hem te praten achterhalen of hij de tekst wel of niet heeft begrepen.
  • Je zoon in groep 8 maakt een taak met ontleden. Hij moet een rode streep zetten onder de persoonsvorm en een groene streep onder de werkwoorden. Misschien vraagt de juf, heel alert, nog even aan je zoon of het kleurgebruik problemen voor hem opleverden. ‘Nee hoor’, antwoordt jouw prepuber, die vooral niet wil opvallen, met een puberaal staaltje zelfoverschatting, ‘déze rood en groen kan ik wel uit elkaar houden’. Tja, dan komen al die fouten dus toch doordat hij het ontleden niet begrijpt, concludeert de juf. Ze schrijft hem op de lijst van kinderen die extra moeten oefenen met ontleden. Als hij dat nodig heeft, prima natuurlijk. Maar misschien had ze je zoon eerst nog even een herkansing moeten geven zonder de invloed van kleuren.

Als de leerkracht niet voldoende gespitst is op kleurenblindheid (en je kind geeft het zelf ook niet goed aan), kunnen problemen of misverstanden die worden veroorzaakt door kleurenblindheid blijven bestaan. Terwijl ze vaak heel eenvoudig op te lossen zijn als iedereen zich bewust is van het probleem.

Schoolarts test op kleurenblindheid

In groep 2 wordt je kind bij de schoolarts meestal getest op kleurenblindheid. Vraag specifiek om zo’n onderzoek als je vermoedt dat je kind kleurenblind is, want sommige schoolartsen voeren het onderzoek niet meer.

Kleurenblindheid is een erfelijke aandoening, die verschillende vormen kent. Als je kind kleurenblind is, wil dit niet zeggen dat hij helemaal geen kleuren kan zien, maar wel zal hij moeite hebben met het onderscheid tussen bepaalde kleuren. Welke kleuren dat zijn en in welke mate, verschilt van persoon tot persoon, wat kleurenblindheid voor niet-kleurenblinden nog ingewikkelder maakt om te begrijpen.

De meeste kleurenblinden hebben moeite met rood en groen, maar soms ook met roze en grijs of blauw en paars. Probeer erachter te komen hoe jouw kind de kleuren ziet en geef eventueel een lijstje aan de leerkracht zodat die er alert op kan zijn.

Zelf testen?

Heb je het vermoeden dat je kind kleurenblind is? Dan kan de huisarts of het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) je kind testen. Dat kan pas vanaf 4 jaar, omdat het voor peuters nog moeilijk is om kleuren van elkaar te onderscheiden.
Vaak wordt kleurenblindheid vastgesteld door middel van de Ishihara-test. Die test bestaat uit een set kaarten met gekleurde stippen, waarin in een afwijkende kleur voor niet-kleurenblinden een cijfer of plaatje te zien is, zoals deze

test-kleurenblindheid-ishihara

Deze test (en andere testen) kun je online ook vinden, bijvoorbeeld op kleurenblindheid.nl. Hoewel zo’n test op internet je goed kan helpen om na te gaan of je vermoeden dat je kind kleurenblind is ergens op gestoeld is, is het geen helemaal waterdicht bewijs. Wil je het echt zeker weten en wil je ook inzicht in de mate en vorm van kleurenblindheid van je kind, dan is het verstandig om de test bij een arts te herhalen.

Ongeveer acht procent van de jongens (en 0,4 procent van de meisjes) is kleurenblind, wat inhoudt dat ze moeite hebben met het onderscheid tussen bepaalde kleuren als rood-bruin-groen en blauw-roze-grijs. Kleurenblindheid is erfelijk. Wees dus extra alert als kleurenblindheid in je familie voorkomt.

Kleuren en school: 5 tips voor als je kind kleurenblind is

1. Vertel de leerkracht dat je kind kleurenblind is

Vraag de juf of meester om alert te zijn op problemen die kleurenblindheid kan opleveren. Ga na wat de leerkracht weet van kleurenblindheid. Geef voorbeelden van problemen waar je kind tegenaan kan lopen. Vertel ook dat je kind zelf niet altijd de meest betrouwbare persoon is om aan te geven of de kleuren een probleem zijn: als kleurenblinde kan je kind soms immers helemaal niet doorhebben dat hij of zij iets niet ziet. Heel verduidelijkend zijn foto’s waarin het beeld van een kleurenblinde wordt gesimuleerd:

Zo (rechts) ziet een bak kraaltjes eruit voor een kleurenblinde die moeite heeft met rood en groen.

Zo (rechts) ziet een bak kraaltjes eruit voor een kleurenblinde die moeite heeft met rood en groen.

En zo kunnen die kraaltjes eruit zien bij een kind blauwtinten anders ziet

En zo kunnen die kraaltjes eruit zien bij een kind blauwtinten anders ziet

Hoewel elke kleurenblinde de kleuren anders ziet, en zo’n foto dus slechts het beeld is van één kleurenblinde, geven dit soort foto’s wel een heel goed idee van hoe een kind dat kleurenblind is de wereld ziet. Voor veel leerkrachten is dit een echte eye-opener.

Herhaal dit gesprekje elk schooljaar. Een aantekening ‘is kleurenblind’ in het leerlingdossier is vaak niet voldoende om de leerkracht op scherp te krijgen.

2. Praat erover met je kind

Veel kinderen die kleurenblind zijn, ontwikkelen allerlei trucjes om met hun kleurenblindheid om te gaan. Hoewel dit op zich natuurlijk hartstikke slim is, is het nog veel gemakkelijker – en vaak ook verstandiger – om het ook gewoon hardop te zeggen als je de kleuren niet kan zien…

3. Plak stickertjes op kleurpotloden

Koop een doos met kleurpotloden voor je kind en plak op de potloden een stickertje met de naam van de kleur. Kan je kind nog niet lezen? Dan kun je samen kleine tekeningetjes afspreken die als kleur-icoontjes dienst kunnen doen. Denk aan: een boompje voor donkergroen, grassprieten voor lichtgroen, een zonnetje voor geel, golfjes water voor blauw en een varkentje voor roze.

4. Laat je kind een spreekbeurt houden over kleurenblindheid

Kinderen die kleurenblind zijn, worden door klasgenoten vaak voortdurend uitgedaagd om kleuren te benoemen. Omdat ze niet met alle kleuren moeite hebben, geloven klasgenootjes vaak niet dat ze kleurenblind zijn. Of ze denken ten onrechte dat je kind dom is omdat het de kleuren nog niet ‘kent’. Een spreekbeurt waarin je kind uitlegt wat kleurenblindheid inhoudt, maakt veel duidelijk.

5. Speciale versie van de eindtoets in groep 8

Bij de eindtoets in groep 8 wordt rekening gehouden met kinderen die kleurenblind zijn. Herinner de leerkracht er tijdig nog even aan dat je kind kleurenblind is, dan weet je zeker dat je kind geen boekje voor zijn neus krijgt met kleuren die hij niet goed kan zien.
Van de papieren editie van de centrale eindtoets (Cito) is een speciale zwart-wit versie voor kinderen die kleurenblind zijn. De online Cito-eindtoets geeft geen problemen voor kleurenblinden. Hetzelfde geldt voor de eindtoets van ROUTE8. Van de IEP Eindtoets is een
zwart-wit uitgave van de opgavenboekjes beschikbaar.

Heeft jouw kind last van zijn/haar kleurenblindheid?

Loopt jouw kind door kleurenblindheid ook tegen dingen aan op school? Of heb je er zelf ervaring mee? Wordt je zoon of dochter ermee gepest of heb je juist grappige dingen meegemaakt door de kleurenblindheid? Deel je verhaal hieronder en help andere ouders met jouw tips en tricks.

Verder lezen