Ouders en school

Scholen denderen van feest naar feest

Scholen denderen van feest naar feest

8 november 2012 | Reacties (0)

Dit weekeinde is het Sint Maarten, volgende week komt sinterklaas in Nederland aan. 11 November is de dag die het startpunt markeert van het grote feesthoppen dat tot het einde van het jaar doorgaat. En de juffen en meesters, zij hoppen mee. Of ze nou willen of niet. “Het voelt als een stroomversnelling, maar wel een heel gezellige.”

Sint Maarten, sinterklaas, kerst: de feestdagen vliegen in razendtempo voorbij. Het is gezelligste tijd, maar ook de drukste tijd op de basisschool.

Een kleine verzuchting in de koffiekamer op de eerste schooldag na de herfstvakantie. Pff, het gaat weer beginnen: de meest intensieve periode van het schooljaar. De vakantieverhalen zijn amper verteld of de knutselspullen worden tevoorschijn gehaald. Sint Maarten staat voor deur. Lampionnetjes maken. En dat is nog maar de aftrap van het feestseizoen, dat pauzeloos doorrolt via de intocht van sinterklaas naar pakjesavond en kerst.

“Het is een ontzettend leuke tijd, maar als leerkracht loop je wel op je tandvlees”, zegt juf Nicolette, groepleerkracht van een groep 1-2.  “Met name sinterklaas is heel onrustig. Dat geeft veel spanning en stress bij de kinderen. Ik probeer er zo laat mogelijk over te beginnen, maar er hoeft in de kring maar één kind te vertellen dat hij iets van sinterklaas heeft gezien en de hele klas gaat erin mee. De periode tussen de herfstvakantie en de kerstvakantie is pittig. Een collega verzuchtte vanochtend nog dat zij er een hekel aan heeft omdat het zo druk is.”

En dan heeft de basisschool waar Nicolette werkt het nog relatief gemakkelijk. Aan Sint Maarten wordt namelijk geen aandacht besteed, vertelt ze. Een weloverwogen besluit. “Dat wordt te veel van het goede. Bovendien staan lang niet alle ouders erachter dat hun kinderen langs de deuren gaan om snoep op te halen.” Dat scheelt weer een feest; een voordeel dat de scholen in gebieden waar Sint Maarten nooit wordt gevierd sowieso hebben.

Op school waar juf Jannet voor groep 7 staat,  is Sint Maarten juist wel een grote happening. Lampionnetjes knutselen staat er op hoog niveau: geen voorgekauwd concept, maar eigen ontwerp. De kinderen bedenken wat ze willen maken, tekenen een ontwerp en stellen een werkplan op, dat vervolgens stap voor stap wordt uitgevoerd. Een grote lampionnenshow op de avond voor Sint Maarten is de eerste in de reeks eindejaaractiviteiten.

“Het is allemaal een hoop werk en het kost veel energie, maar dit is wel een ontzettend leuke periode in het schooljaar”, vindt Jannet. “Een goede planning is heel belangrijk. Als je alles aan laat komen op het laatste moment, geeft dat te veel stress.” Ruim voor de herfstvakantie begint op school de voorbereiding op Sint Maarten, sinterklaas en kerst al. “Iedereen weet daardoor precies waar hij of zij aan toe is. Dat ontlast de leerkrachten.”

Ook op de school waar juf Marloes locatieleider is,  is de planning strak. Marloes: “Sint Maarten, sinterklaas, kerst. We doen overal aan mee. Het voelt als een stroomversnelling, maar wel een heel leuke. In blokken van twee weken razen we door de feesten heen. Meteen na Sint Maarten gaan de sinterklaasspullen de klas in. Na sinterklaas brengen we direct alles in kerstsfeer. Dat is de vervelendste overgang. Het zou fijner zijn om even een pauze in te lassen. Meestal kan dat niet omdat twee weken na sinterklaas de kerstvakantie al begint. Dan zou de kerstboom maar een week staan.”

Als de kerstvakantie laat valt, is dat een zegen. Iets meer rust tussen sinterklaas en kerst. Nadeel is dat de kinderen lang door moeten tot ze vakantie hebben en dat de periode tussen herfstvakantie en kerstvakantie extra lang is. “De kinderen worden moe, er komt duidelijk minder binnen dan normaal”, weet juf Nicolette. “Dit is ook geen periode om belangrijke toetsen te houden. Dat zou echt een vertekend beeld opleveren doordat kinderen beneden hun normale niveau scoren.”

“November en december zijn heel gezellig maanden op school, maar je moet er als leerkracht goed op letten dat je toch voldoende aan de gewone lesstof toekomst”, beaamt juf Marloes. “Dan maar een iets minder uitgebreid kerstproject. De onderwijsinspectie is er immers ook nog en die verlangt terecht dat de lesstof aan bod komt.” Overigens helpt de structuur van de normale lessen ook om de rust te bewaren, weet juf Jannet. “Wij proberen sinterkaas en kerst zo veel mogelijk in de normale lessen te verweven, zodat het ritme niet wordt verstoord. De feesten worden uitgebreid gevierd, maar wel op de momenten dat het echt nodig is. Niet de hele tijd door.”

 

Doseer de drukte

Niet alleen voor leerkrachten, ook voor ouders van jonge kinderen zijn de laatste twee maanden van het jaar ondanks alle gezelligheid vaak behoorlijk intensief. Zes tips om de drukte te beperken:

  1. Vier het feest na feest. Stel een sinterklaasverbod in tot na Sint Maarten en begin pas met kerst na sinterklaas. Dus nog geen pepernoten in september (ook goed voor de lijn!) of al naar een sinterklaasfilm in de herfstvakantie. De intocht van sinterklaas is een mooi startpunt van de sinterklaasperiode.
  2. Las pauzes in tussen de feesten. De landelijk intocht van sinterklaas is dit jaar een week na Sint Maarten. Dat is ideaal. In andere jaren komt de goedheiligman soms de dag ná Sint Maarten al aan. Voor sommige kinderen kan dit te snel op elkaar volgen. Overweeg dan Sint Maarten een jaar over te slaan of bezoek de intocht in een dorp waar sinterklaas een week later aankomt. Wacht na pakjesavond een week met het in huis halen van de kerstsfeer. Op steeds meer plaatsen wordt sinterklaas op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Autisme na pakjesavond uitgewuifd. Ook voor niet-autistische kinderen is de afsluiting van de sinterklaasperiode vaak erg abrupt, zeker als gelijk wordt doorgegaan met kerst.
  3. Berg de speelgoedfolders, die al in september uitkwamen, uit het zicht tot het tijd wordt een verlanglijst te maken (of haal ze helemaal niet tevoorschijn). Het bladeren door speelgoedgidsen biedt weliswaar voorpret, maar verhoogt de spanning onnodig.
  4. Beperkt het aantal sinterklaas- en kerstvieringen. Wie wil, kan al snel kiezen uit minstens zes sinterklaasvieringen: thuis, op school, op de BSO of kinderdagverblijf, bij de sportclub, op het werk van papa, op het werk van mama en misschien ook nog wel bij opa en oma of samen met vrienden. Om dat met kerst nog eens dunnetjes over te doen. Maak weloverwogen een keuze.
  5. Beperk het schoenzetten tot één à twee keer per week.
  6. Laat je kind niet naar meerdere sinterklaasseries op televisie kijken. Elke serie heeft zijn eigen verhaal vol spanning en onzekerheden, die jonge kinderen nog als werkelijkheid beleven. Beperk het tv-aanbod bijvoorbeeld tot het Sinterklaasjournaal, waarop vaak op school ook wordt ingehaakt.


Verder lezen

Een stimulerende thuisomgeving heeft meer invloed op de schoolprestaties van kinderen dan de kwaliteit van de school, zo blijkt uit Amerikaans onderzoek.

Ouders belangrijker voor goede cijfers dan school

16 oktober 2012 | Reacties (0)

Ouders zijn belangrijker voor de schoolprestaties van hun kinderen dan de school zelf. Dat blijkt uit nieuw Amerikaans onderzoek, uitgevoerd aan de North Carolina State University. “Ons onderzoek geeft aan dat ouders zich ervan bewust moeten zijn hoe belangrijk ze zijn”, zegt dr. Toby Parcel, hoogleraar sociologie en een van de onderzoekers.

Ouders belangrijker dan school

Een stimulerende thuisomgeving heeft meer invloed op de schoolprestaties van kinderen dan de kwaliteit van de school, zo blijkt uit Amerikaans onderzoek.

“Het is belangrijk dat ouders tijd investeren in hun kinderen: helpen met huiswerk, ouderavonden op school bijwonen en hun kinderen de boodschap meegeven dat school belangrijk is. Dat is bepalend voor hun succes”, aldus Parcel.

Voor het onderzoek werden meer dan 10.000 leerlingen, ouders, leerkrachten en schooldirecteuren ondervraagd. De onderzoekers keken daarbij gericht naar hoe het ‘sociale gezinskapitaal’ en het ‘sociale schoolkapitaal’ de schoolprestaties beïnvloeden.

Actief betrokken

Het ‘sociale gezinskapitaal’ staat voor hoe er thuis wordt omgegaan met waarden als vertrouwen, open communicatie en actieve betrokkenheid in de schoolcarrière van het kind. Het ‘sociale schoolkapitaal’ is de mate waarin een school een positieve leeromgeving biedt, met ruimte voor buitenschoolse activiteiten, gemotiveerde leerkrachten en docenten die kunnen inspelen op de individuele behoeften van hun leerlingen.

De onderzoekers ontdekten dat de rol van thuis bepalender was dan de rol van school. Leerlingen met betrokken en stimulerende ouders op een minder goede school deden het beter dan leerlingen op een goede school, maar met weinig betrokken ouders. “Met andere woorden: zowel de school als de ouders zijn van belang, maar de thuisomgeving is het belangrijkste voor goede schoolprestaties.”

Lees ook het artikel Betere schoolcijfers met betrokken ouder in Metro: basisscholen in Rotterdam constateren dat leerlingen hogere resultaten behalen als gevolg van verbeterde ouderbetrokkenheid.

Verder lezen

Klik op de afbeelding om de volledige infographic te bekijken

Helft ouders blij dat kind weer naar school gaat

14 augustus 2012 | Reacties (0)

51 Procent van de ouders is blij als de eerste schooldag voor de deur staat; ze kijken weer uit naar het normale leven of hebben geen puf meer om hun verveelde kinderen te vermaken. Voor de kinderen kan de vakantie echter niet lang genoeg duren. Zij moeten in de vakantie wel blijven leren van hun ouders; ruim een kwart moet schooloefeningen doen. Dit blijkt uit onderzoek van Blink Uitgevers onder ruim 1.000 ouders en kinderen in het basisonderwijs.

Infographic eerste schooldag

Klik op de afbeelding om de volledige infographic te bekijken

Zes versus acht weken zomervakantie

Aan zowel kinderen als ouders is gevraagd hoe lang de ideale zomervakantie duurt. 58 procent van de ouders vindt de huidige lengte van zes weken goed. Kinderen plakken er het liefst nog twee weken aan vast; 54 procent wil graag acht weken vakantie. Acht procent kiest voor zeven weken en 26 procent voor zes weken. Kinderen missen hun klasgenootjes in de zomervakantie, ruim de helft is daarom toch blij om weer naar school te gaan.

Kind voorbereiden op eerste schooldag

Bijna alle ouders bereiden hun kinderen voor op de eerste schooldag, bijvoorbeeld door al eerder te starten met het schoolritme (49 procent) of tijdig te vertellen dat de school binnenkort weer begint (42 procent). Maar ook op educatief vlak doen ouders aan de nodige voorbereiding. Ruim een kwart besteed tijdens de vakantie namelijk aandacht aan schooloefeningen met hun kinderen.

“Opvallend is dat het percentage ouders dat tijdens de zomervakantie aandacht besteedt aan schooloefeningen, is toegenomen”, zegt Jorien Castelein van Blink Uitgevers. “Vijf jaar geleden lag dat op 15 procent, nu op 26 procent. Een goede ontwikkeling, omdat zo de hersens van kinderen ook tijdens de schoolvakantie geprikkeld worden. Wanneer te veel kennis wegzakt kost het een kind na de zomer onnodig veel energie om alles weer ‘op te halen’. Het is wel heel belangrijk dat ouders het leren in de vakantie spelenderwijs aanpakken zodat een kind ook ontspant in de zomervakantie. Ook dat is belangrijk voor goede schoolprestaties.”

De meeste basisscholen staan op de eerste schooldag even stil bij de vakantie. De helft van de kinderen doet bijvoorbeeld het eerste uurtje iets leuks en bij ruim een vijfde staat zelfs de hele dag in het teken van de zomervakantie. Voor een kwart van de kinderen is het een gewone schooldag.

Ouders willen kleinere groepen, kinderen willen meer bewegen

Op de vraag wat zij het liefst veranderen aan de school van hun kind, antwoordt 32 procent van de ouders dat zij kleinere groepen willen. Op de tweede en derde plaats staan het invoeren van een continurooster (kinderen lunchen tussen de middag op school) en het verbeteren van de kwaliteit van leerkrachten. ‘Uit het onderzoek blijkt dat kinderen helemaal geen problemen hebben met grotere groepen. Zij willen graag meer bewegen op school. Begrijpelijk, omdat kinderen natuurlijk ook veel stil moeten zitten in de klas. Daarnaast willen ze graag vernieuwingen aan het schoolplein’, aldus Castelein.

Over Blink Uitgevers

Blink Uitgevers is een jonge educatieve uitgeverij die sprankelende cross-mediale concepten ontwikkelt voor school en thuis. De organisatie geeft Bobo, Okki, Taptoe en National Geographic Junior uit. Ga voor meer informatie naar www.blinkuitgevers.nl.

 

Verder lezen

(CC-licensie: Klasse.be)

Boeken kaften, hoe doe je dat?

9 augustus 2012 | Reacties (0)

De laatste keer dat je een boek gekaft hebt, was waarschijnlijk toen je op de middelbare school zat. Sommige basisscholen roepen de hulp in van ouders om schoolboeken te kaften, opdat de boeken langer meegaan. Wil je helpen bij deze klus maar weet je niet meer precies hoe je ook alweer een boek kaft? Dan vind je hier een handleiding. Ook handig voor (ouders van) kersverse brugklassers!

Klik-en-print de handleiding ‘boeken kaften’:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze stappen worden visueel voorgesteld:

  1. Leg je boek opengeslagen op het kaftpapier en knip een strook, waarbij je aan elke kant van het boek minstens 5 centimeter over houdt. (Kleinere boeken kunnen over de breedte van de rol, dat spaart een heleboel kaftpapier.)
  2. Vouw het papier precies in het midden.
  3. Vouw het papier om je boek, zodat de vouwlijn precies over het midden van de rug loopt.
  4. Vouw de apjes om de voor- en de achterkant en plooi ze weer open.
  5. Van de rug knip je de stroken schuin in, begin breed en eindig even smal als de rug.
  6. Haal het boek uit de kaft en vouw die stukjes naar binnen, onder de rug van het boek
  7. Leg het boek netjes in de flapjes die je daarnet maakte. Vouw dan de boven- en onderkant schuin in en dan naar binnen, alsof je een cadeautje inpakt.
  8. Sluit je boek. Vouw nu ook de zijkanten één voor één om.
  9. Met plakband plak je de omgevouwen hoeken aan elkaar vast. Niet aan het boek!
  10. Sluit het boek en verstevig de rug met stukjes plakband.

De manier waarop in deze handleiding boeken worden gekaft, is de meestgebruikte. Er zijn wel wat kleine variaties in methodes van boeken kaften. Op youtube staan diverse instructiefilmpjes waarin wordt voorgedaan hoe je een boek moet kaften. In dit filmpje, bijvoorbeeld, wordt het boek op een andere manier centraal in de kaft gelegd dan in stap 3 volgens de handleiding hierboven:

Er is niet één goede manier van boeken kaften. Ontdek zelf welke methode je het beste ligt en welke het mooiste resultaat oplevert.

(Dit artikel is mede gebaseerd op en maakt gebruik van materiaal van Klasse.be, waarvoor een Creative Commons-licentie is verleend)


Verder lezen

Docent praat anders met allochtone ouders

Docent praat anders met allochtone ouders

9 mei 2012 | Reacties (0)

De communicatie tussen ouders met een niet-Nederlandse achtergrond en de leerkracht verloopt vaak moeizaam. Docenten praten met migrantenouders anders over schoolprestaties kind. Nederlandse ouders stimuleren hun kinderen op een andere manier om goed te presteren op school dan ouders met een migratieachtergrond. De visie van docenten sluit vaak beter aan bij die van Nederlandse ouders.

Inzet versus persoonlijkheid

De verschillen in de communicatie met ouders zijn gebleken uit onderzoek van drie Utrechtse wetenschappers. Zij analyseerden een aantal gesprekken tussen leerkrachten en ouders die in groep 8 gevoerd werden over het schooladvies voor het vervolgonderwijs. Uit de analyse van de gesprekken bleek dat leerkrachten verschil maakten in het verklaren van de schoolprestaties van kinderen. Leerkrachten schreven de schoolprestaties van allochtone kinderen vaak toe aan ‘inzet’ (‘je best doen’). De prestaties van Nederlandse kinderen werden door leerkrachten vaker toegeschreven aan psychologische factoren, zoals concentratie of faalangst. Ook Nederlandse ouders noemden vaker oorzaken die te maken hadden met de persoonlijkheid van het kind.

Anticiperen op verwachtingen

Nederlandse ouders en leerkrachten leken er bij voorbaat vanuit te gaan dat ze het met elkaar eens zijn in gesprekken en anticipeerden daar ook op. Nederlandse ouders bleken vaker in staat om ‘eigen’ verklaringen in te brengen waardoor ze meer invloed hadden in het gesprek en de diagnose. De gesprekken met de Nederlandse ouders bleken ook interactiever van aard dan die met de migrantenouders.

In de gesprekken met migrantenouders verwachtten leerkrachten juist verschillen in visie: daardoor hadden ze de neiging om al voordat ouders iets gezegd hadden bepaalde verklaringen die ouders zouden kunnen geven voor slechte of goede prestaties te weerleggen.

Betere communicatie mogelijk

Mariëtte de Haan, een van de onderzoekers, is van mening dat de communicatie tussen leerkrachten en vooral migrantenouders verbeterd kan worden door bewuster om te gaan met de verschillen in visie, houding en gedrag. “Leerkrachten kunnen toetsen of er sprake is van een gedeelde visie. Ook kunnen scholen nadenken over alternatieve manieren om ouders met een migratieachtergrond de schoolcarrière van hun kinderen te laten ondersteunen, gezien de verschillen met Nederlandse ouders.”

Ander beeld van leerkracht als professional

De Haan: “Wat ook opvalt is dat allochtone ouders meer afstand tot de leerkracht houden. Zij zien een groot verschil in verantwoordelijkheid tussen de leerkracht als professional en henzelf als ouders. Nederlanders maken dat verschil minder.” Overigens constateerden de onderzoekers dat naarmate migrantenouders hoger zijn opgeleid, ze in hun gedrag en houding meer lijken op Nederlandse ouders.

Verschillen werken belemmerend

De verschillen in visie maken het voor allochtone ouders en leerkrachten lastiger om als partners op te trekken, al proberen beide partijen dit zeker wel te realiseren, stellen de onderzoekers. Allochtone ouders zijn in deze gesprekken in het nadeel door hun gebrek aan ervaring, minder kennis van de taal en bekendheid met het Nederlandse schoolsysteem ten opzichte van Nederlandse ouders. Daar komt bij dat hun pedagogische visie soms afwijkt van die van de school.

Het onderzoeksproject ‘De rol van de school in de socialisatie van migrantengezinnen’ richt zich op communicatieve processen op scholen als spiegel van de wisselwerking tussen school en gemeenschap. Het is gefinancierd door de Programmaraad voor het Onderwijsonderzoek, een onderdeel van NWO, en is uitgevoerd aan de Universiteit Utrecht.

Verder lezen

Het ene lezen is het andere niet

Het ene lezen is het andere niet

30 maart 2012 | Reacties (1)

Goed leren lezen is een van de hoofddoelen van de basisschooltijd. Maar het ene lezen is het andere niet.  Een overzichtje van veelgebruikte leestermen. Handig om te weten tijdens het tienminutengesprek!

 

Technisch lezen

Bij technisch lezen gaat het erom dat de hersenen de lettertekens vlot kunnen koppelen aan klanken en daar woorden in kunnen herkennen. Technisch lezen is de basis van alle andere leesvormen. Zie verder: Technisch lezen, wat is dat eigenlijk?

Spellend lezen

Met spellend lezen wordt bedoeld dat een kind de woorden nog niet soepel kan lezen. Het moet eerst de afzonderlijke letters verklanken en vervolgens daarmee het woord samenstellen (hakken en plakken). Is in de eerste maanden van groep 3 spellend lezen nog heel normaal, gaandeweg moet het spellend lezen steeds meer worden vervangen door vloeiend lezen. Ook bij langere woorden. Zie ook: Hakken en plakken en zingend lezen.

Tempolezen

Tempolezen is een oefenvorm om het leestempo omhoog te krijgen. Sneller lezen is belangrijk, omdat kinderen dan makkelijker onthouden wat ze gelezen hebben. Toetsen die het leestempo testen zijn de drieminutentoets en de AVI-toets. Beide worden (met ingang van groep 3)  in januari/februari en in mei/juni afgenomen. Zie ook: Temoplezen is lezen tegen de klok. Moet je kind thuis extra oefenen om het leestempo te verhogen? In het artikel Oefenen met lezen, hoe houd je het leuk? vind je handige tips.

AVI-niveau

AVI (analyse voor individualiseringsnormen) is een aanduiding voor het technisch leesniveau van kinderen. Het AVI-niveau is een tweeledige aanduiding. Allereerst geeft het de leestechnische moeilijkheidsgraad van een tekst aan. Daarnaast is AVI-niveau ook een aanduiding voor het leestechnische niveau waarop kinderen vlot en gemakkelijk kunnen lezen. Een kwestie van turven hoe snel er gelezen wordt en hoeveel missers het kind maakt. Zie ook: AVI-niveau, wat moet je er thuis mee?

Begrijpend lezen

Bij begrijpend lezen gaat het erom dat je kind weet wat hij of zij leest (tekstbegrip). Het gaat om het begrijpen van een tekst en het aanleren van leesstrategieën. Het uiteindelijke doel van het leesonderwijs is dat leerlingen als goede begrijpend lezers de basisschool verlaten. Bij de overgang naar de middelbare school wordt veel waarde gehecht aan de scores op begrijpend lezen om te bepalen of je kind tot een bepaald schooltype wordt toegelaten.

Begrijpend lezen is essentieel voor schoolsucces, want bij alle andere vakken wordt een beroep gedaan op de leesvaardigheid. Ook in het dagelijks leven wordt voortdurend een beroep gedaan op het leesbegrip. Er is zelfs onderzoek dat aantoont dat de leesvaardigheid effect heeft op het salaris dat men later verdient.

Studerend lezen

Studerend lezen is een soort begrijpend lezen-plus: er wordt niet alleen gelezen met als doel die tekst inhoudelijk te begrijpen, maar ook om de opgedane informatie te onthouden om later mondeling of schriftelijk te kunnen weergeven. Dit is een belangrijke vaardigheid op de middelbare school. In groep 7 en 8 wordt dan ook veel aandacht besteed aan studerend lezen. Je kind leert bijvoorbeeld de studievaardigheden herlezen, schematiseren, onderstrepen, aantekeningen maken, uittreksel maken en samenvatting maken.

Verder lezen

Medezeggenschap, waarover eigenlijk?

Medezeggenschap, waarover eigenlijk?

13 maart 2012 | Reacties (0)

Iedere ouder met een kind op de basisschool krijgt te maken met de medezeggenschapsraad (MR). Dat is een overleg- en adviesorgaan waarin zowel ouders als personeelsleden zitten. Maar wat doet die MR nou eigenlijk? Wat zijn de rechten van de medezeggenschapsraad en waarover mag de MR niet meepraten? Alle informatie op een rijtje:

Medezeggenschap: wettelijk geregeld

De Wet Medezeggenschap op Scholen (WMS) verplicht elke school om een MR te hebben. Deze wet uit 2006 beschrijft tevens de rechten en plichten van een MR. Wanneer een basisschool bij een stichting met meerdere basisscholen behoort dan is tevens een GMR (gemeenschappelijke medezeggenschapsraad) aanwezig. De GMR is overkoepelend over alle basisscholen die zijn aangesloten bij de stichting.

Wie zitten er in de medezeggenschapsraad?

De medezeggenschapsraad bestaat uit een oudergeleding en een personeelsgeleding. Beide geledingen hebben evenveel leden in de MR. Het aantal leden waaruit de MR bestaat is afhankelijk van de grootte van de school. MR-leden in de oudergeleding worden gekozen door de ouders.

Heb je zin om plaatst te nemen in de MR van de basisschool, wacht dan tot er nieuwe verkiezingen zijn en stel je kandidaat. MR-leden hebben zitting gedurende drie jaar. Na die periode kan een lid herkozen worden of kan een nieuw lid zijn of haar plaats innemen. Indien het aantal ouders dat zich heeft aangemeld groter is dan het aantal vereiste leden, vindt een verkiezing plaats. Het MR-werk is voor ouders vrijwiligerswerk. Personeelsleden die in de MR zitten, krijgen hiervoor een aantal taakuren toegewezen in hun rooster.

Wat doet de MR eigenlijk?

Medezeggenschapsraad

De medezeggenschapsraad mag meepraten over alle zaken die school betreffen.

De MR is bevoegd om alle zaken die de school betreffen te bespreken. Ze kan voorstellen doen aan de directie. De directie is daarnaast voor heel wat belangrijke beslissingen verplicht eerst de ouders en het personeel te raadplegen.

Zaken die in de MR aan de orde komen zijn bijvoorbeeld de jaarlijkse begroting, klachten die binnenkomen en de behandeling daarvan, formatiekwesties, huisvestingszaken, etc. De MR komt gemiddeld tien keer per schooljaar bij elkaar, maar dat kan ook vaker zijn als er bepaalde kwesties spelen op school.

Welke rechten heeft de MR (en welke niet)?

Sommige beslissingen mag de schooldirectie alleen nemen nadat advies is gevraagd aan de MR, voor andere is instemming van de MR verplicht. Daarnaast zijn er zaken waarover de schoolleiding de MR alleen maar hoeft te informeren. Welke bevoegdheden de MR heeft, is vastgelegd in de wet.

  • Informatieplicht is het meest vrijblijvende recht van de MR. Maar de MR kan informatie vaak wel goed gebruiken om een eigen oordeel te vormen en dan op eigen initiatief suggesties voor verbeteringen te doen. Ook is het zinvol dat de MR op de hoogte is van lopende zaken en ontwikkelingen; met die kennis kunnen de leden in een latere fase beter gefundeerd hun mening vormen.
  • Advies uitbrengen betekent niet dat de schoolleiding dit advies moet overnemen. De directie kan het advies van de MR naast zich neerleggen, maar moet dat wel motiveren. Zaken waarover advies moet worden gevraagd aan de MR zijn bijvoorbeeld wijziging of vaststelling van beleid tot het toelaten van leerlingen, het regelen van de vakantie, nieuwbouw en nog vele andere zaken.
  • Instemming is de meest formele invloed van de MR. Voor sommige zaken is instemming van de MR vereist voordat de schoolleiding aan de uitvoering mag beginnen. Denk bijvoorbeeld aan de keuze van een school voor Montessori- of Daltononderwijs. Andere voorbeelden zijn de vaststelling van het jaarlijkse schoolplan en de organisatie van de naschoolse opvang.

De twee geledingen in de MR hebben ook hun eigen instemmingsbevoegdheden. De personeelsgeleding heeft bijvoorbeeld instemmingsbevoegdheid bij vaststellen of wijzigen van hun verlofregeling, maar ook verandering in taakverdeling. De oudergeleding heeft instemmingsrecht ten aanzien van de vaststelling van de onderwijstijd, de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de tussenschoolse opvang en vaststelling van de schoolgids.

Geen vetorecht

Het instemmingsrecht is overigens wat anders dan een vetorecht. Medezeggenschap is wat anders dan zeggenschap en er moet altijd redelijk overleg zijn met respect voor elkaars standpunten, vindt de wetgever. Blijkt een meningsverschil niet in eigen huis oplosbaar, dan kan het worden voorgelegd aan de geschillencommissie die voor het hele primair onderwijs werkt.

Het afdwingen van een bepaalde beslissing is vrijwel onmogelijk; wel kan de medezeggenschapsraad altijd eisen dat hij mee mag praten, want de wet is duidelijk: de MR mag over alle schoolzaken spreken met de schoolleiding.

Gaat het in de MR ook over onderwijs?

Scholen mogen zelf weten hoe ze hun onderwijs inrichten in ons land. De medezeggenschapsraad mag zich niet bemoeien met de dagelijkse uitvoering. Een medezeggenschapsraad bemoeit zich bijvoorbeeld niet met de keuze van lesmethodes of met welke welke leerkrachten voor welke groep komt te staan. Ook kan je niet bij de MR aankloppen als je het er niet mee eens bent dat je kind blijft zitten.

Alle onderwerpen waar de MR wél over spreekt, hebben direct of indirect gevolgen voor de dagelijkse praktijk van het onderwijs. Geeft een school extra veel aandacht aan de ondersteuning van zorgleerlingen, dan moet daar ruimte voor zijn in de begroting en in het taakbeleid voor het personeel – allebei punten waarover de MR volop meepraat. Komt de leiding met een voorstel voor samenwerking met maatschappelijke organisaties of wijzigingen in de overblijfregeling en de naschoolse opvang, dan kunnen de lesdagen er heel anders gaan uitzien. Fusies, reorganisaties, nieuwbouw en andere ingrijpende organisatorische veranderingen hebben altijd hun weerslag op wat er in de klas gebeurt.

De dingen van de dag komen dus niet allemaal aan de orde in de MR. Maar of het allemaal lekker loopt op school, hangt ook af van beleidskwesties waar de MR over meepraat. Daardoor heeft MR-werk altijd met onderwijs te maken.

(bron: Ministerie van Onderwijs)

Verder lezen

Hoogleraar pedagogiek Micha de Winter: 'Kind gedijt bij rijke sociale omgeving'

‘Ouderbetrokkenheid komt van twee kanten’

13 februari 2012 | Reacties (3)

Ouderbetrokkenheid moet van twee kanten komen. Niet alleen moeten ouders betrokken zijn bij de school, maar de school moet ook betrokken zijn bij ouders. Een pleidooi voor deze ‘wederkerige ouderbetrokkenheid’ hield Micha de Winter, hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit van Utrecht, tijdens het symposium ‘Help! Een ouder’ dat vanavond in Assen werd gehouden.

Tienminutengesprek te kort voor goede communicatie

Ouderbetrokkenheid

Hoogleraar pedagogiek Micha de Winter: 'Kind gedijt bij rijke sociale omgeving'

Volgens De Winter zijn ouders en de school mede-opvoeders van kinderen. “Opvoeden is een soort strijdperk waarin kinderen en ouders met elkaar in de clinch liggen.” Zonder strijd gaat het niet, hield hij zijn publiek voor. Net zoals pijnloos bevallen niet bestaat. “Het is niet altijd alleen maar gezellig in de klas en thuis. Over die opvoedstrijd moet goede communicatie zijn tussen de verschillende opvoeders. Dat gaat niet in de tijd van een tien-minutengesprek”, zo zei De Winter.

“Ouders en school moeten goed met elkaar communiceren. Dat lijkt een vanzelfsprekendheid, maar in de praktijk staan ouders en school steeds vaker tegenover elkaar, als producenten en consumenten. Pedagogisch gezien is dat funest. Het is voor kinderen alsof ze in een vechtscheiding zijn terecht gekomen.”

Goed voor burgerschap en schoolprestaties

De Winter wees op het belang van scholen in het sociale netwerk waarin kinderen opgroeien en als ontmoetingsplaats voor ouders onderling. “Kinderen gedijen het beste in een rijke sociale omgeving, waarin meerdere volwassenen naast de ouders zich bij hen betrokken en medeverantwoordelijk voelen.” It takes a village to raise a child, zoals Hillary Clinton ooit zei. De Winter gelooft daar sterk in.

Voor de ontwikkeling van goed burgerschap is het volgens hem belangrijk dat ouders – en volwassenen in het algemeen – zich niet alleen verantwoordelijk voelen voor de ontwikkeling van hun eigen kind, maar ook voor die van anderen. “We moeten ook ingrijpen als andere kinderen dingen doen die niet in de haak zijn of die gevaarlijk zijn.”

Voor scholen is volgens de Utrechtse hoogleraar een belangrijke rol weggelegd om zo’n pedagogische civil society te versterken. Als kinderen opgroeien in zo’n rijke sociale omgeving heeft dat volgens De Winter bewezen positieve effecten op hun schoolprestaties en maatschappelijke succes.

Minister: Scholen mogen echt appèl doen op ouders

Het symposium ‘Help! Een ouder’ werd georganiseerd door educatieve dienstverlener Cedin en Dagblad van het Noorden. Naast De Winter was ook onderwijsminsiter Marja van Bijsterveldt een van de sprekers. Voor haar was het symposium de aftrap van haar tour door Nederland om een lans te breken voor een grotere ouderbetrokkenheid in het onderwijs.

De minister herhaalde haar pleidooi van eind november voor een intensieve rol van ouders bij het onderwijs van hun kinderen. “Scholen mogen écht een appèl doen op ouders. Het zou vanzelfsprekend moeten zijn om uit te wisselen wat je als school van ouders verwacht. Ouders kunnen hun kinderen heel veel bieden. Er moet een soort partnerschap komen tussen school en ouders, met helderheid over wie wat doet en wie waarvoor verantwoordelijk is.”

Van Bijsterveldt ging kort in op de heftige reacties die volgden op haar oproep tot een grotere ouderbetrokkenheid. “Die discussie was precies wat ik beoogde”, zei zij in Assen. “Het toont aan dat het thema echt leeft.” In een half-grappend tussenzinnetje kwam ze terug op haar uitspraak dat ouders eventueel maar minder moeten gaan werken om meer betrokken te kunnen zijn bij school: “Ik zou er nooit voor durven pleiten.”

Helft ouders: school mag best vaker beroep op me doen

De helft van de ouders vindt dat de school van hun kinderen best vaker een beroep op hen mag doen. Dat is een van de uitkomsten van een onderzoek gehouden door Dagblad van het Noorden onder duizend ouders. De resulaten van het onderzoek werden gepresenteerd tijdens het symposium ‘Help! Een ouder’. 12 Procent wil niet dat de school vaker een beroep op hen doet, de rest weet het niet of maakt het niet uit.

Uit het onderzoek blijkt ook dat veel ouders (49 %) vinden dat scholen meer hun best moeten doen om ouders bij het onderwijs te betrekken; 16% is het daar niet mee eens.Grote behoefte blijken ouders te hebben aan adviezen van school over hoe ze hun kind kunnen helpen met huiswerk. Meer dan tachtig procent van de ouders heeft in het onderzoek aangegeven dit graag te willen.

Minder dan de helft (40 procent) van de ouders ziet iets in een contract waarin ouders en school niet-vrijblijvende afspraken vastleggen; 34 procent is tegen, een kwart van de ouders heeft geen mening.

Het onderzoek is gehouden in opdracht van Dagblad van het Noorden en uitgevoerd door Regio Noord Panel.



Verder lezen

Dankzij het koude winterweer trekken scholen massaal met de leerlingen naar het ijs

Schaatsen met school, wie is verantwoordelijk?

5 februari 2012 | Reacties (0)

Veel kinderen gaan deze week met school schaatsen. Lekker het ijs op voor schaatswedstrijdjes, mini-Elfstedentochten en natuurlijk koek en zopie. Maar een ongeluk zit een klein hoekje, ook op het ijs. Wie is er eigenlijk verantwoordelijk als er iets misgaat tijdens het schaatsen of onderweg naar de ijsbaan?

School verantwoordelijk voor toezicht

Schoolschaatsen

Dankzij het koude winterweer trekken scholen massaal met de leerlingen naar het ijs

Wanneer het schaatsen vanuit de school wordt georganiseerd en de leerlingen tijdens schooltijd naar het ijs gaan, wordt het gezien als een ‘schoolgebonden activiteit’. Scholen zijn verplicht tijdens schoolgebonden activiteiten te zorgen voor voldoende toezicht. Voldoende en kwalitatief goede begeleiding is dus van groot belang. Deze verantwoordelijkheid is echter vooral een morele verantwoordelijkheid. De uiteindelijke juridische verantwoordelijkheid ligt bij het schoolbestuur wanneer er iets misgaat. Wanneer er sprake is van nalatigheid door onvoldoende toezicht kan de school aansprakelijk worden gesteld voor onrechtmatig handelen. Hier is sprake van een tekortkoming van de school.

 

Verplichte verzekering

Scholen zijn op basis van de ARBO-wet wettelijk verplicht zich tegen aansprakelijkheid te verzekeren. Deze verzekering regelt de aansprakelijkheid van leerkrachten, overig personeel, bestuur, ouders en vrijwilligers voor schade aan derden. Uitgangspunt is dat er voldoende toezicht is tijdens de schoolactiviteit. Veroorzaaks je kind schade, dan wordt dit in eerste instantie op de ouders verhaald. Sommige scholen sluiten een aparte aansprakelijkheidsverzekering voor schade veroorzaakt door kinderen. Dit is niet verplicht.

Rij-ouder verantwoordelijkheid tijdens vervoer

Help je als hulpouder mee met het vervoer naar het ijs, dan is het goed om te weten dat je zelf als bestuurder van de auto verantwoordelijk bent. Stel dat je tijdens de rit naar de ijsbaan een aanrijding krijgt en auto beschadigd raakt. Als bestuurder van de auto ben je dan zelf in principe aansprakelijk voor de schade. Ook het eventuele verlies van no-claimkorting is voor rekening van de chauffeur. Elke automobilist is volgens de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorvoertuigen (WA) verplicht zich te verzekeren tegen schade aan derden. Onder ‘derden’ vallen ook de inzittenden van de auto. Er zijn hiernaast ook verschillende aanvullende verzekeringen voor inzittenden, waarbij geld wordt uitgekeerd voor de inzittenden bij overlijden of (blijvende) invaliditeit.

Check je polis

Ga je als rij-ouder mee op schooluitstapjes, dan is verstandig om vooraf te controleren hoeveel personen daadwerkelijk verzekerd zijn als inzittenden. De verzekering kan namelijk eisen stellen aan het maximale aantal inzittenden. Dit staat in de polisvoorwaarden van je verzekering.

Wel of geen autozitjes mee?

Zittingverhoger

Autostoeltjes zijn niet verplicht tijdens schooluitjes

Bij schooluitjes worden de kinderen vaak in de auto vervoerd zonder autostoeltjes. Bij sommige ouders roept dit vragen op. Autostoeltjes zijn toch verplicht voor kinderen die korter zijn dan 1,35 m? Dat is ook zo, maar de wet maakt een uitzondering voor incidenteel vervoer van kinderen. Van ouders wordt verwacht dat ze voor hun kind een autostoeltje in de auto hebben. Rijden er andere kinderen met je mee, dan mogen zij op korte afstanden (minder dan 50 km) vanaf 3 jaar ook gewoon op de achterbank zitten. Het gebruik van de gordel is verplicht als die er is. Let op: je eigen kinderen móeten in een autostoeltje. Kinderen die langer zijn 1,35 mogen met gordel ook voorin zitten.

Scholen noemen het vaak ondoenlijk om voor alle kinderen kleiner dan 1,35 m zitverhogers of autostoeltjes te regelen. Het hangt een beetje van de cultuur op school af hoe met autostoeltjes wordt omgegaan. Zo zijn er ook basisscholen waar vóór schooluitjes intekenlijsten bij de klas worden opgehangen waarop aangegeven kan worden hoeveel autostoeltjes er per auto nodig zijn. ‘s Ochtend worden dan alle stoeltjes of verhoger voorzien van naam bij school ingeleverd en ‘s middags weer meegenomen. En natuurlijk kan je als ouder altijd zelf contact opnemen met de rij-ouder om af te spreken dat je je kind een stoeltje of verhoger meegeeft.

Meeste schaatsongelukken bij kinderen tussen 10 en 14

Schaatsen behoort tot de zogenaamde (hoog-)risicosporten. Jaarlijks worden tegen de 4.000 ongevallen op de afdelingen Spoed Eisende Hulp/EHBO van algemene ziekenhuizen aangeboden. Een nog veel groter aantal wordt lokaal door EHBO-ers of huisartsen afgehandeld. In totaal gaat het jaarlijks om rond de 65.000 blessures.
Verreweg de meeste schaatsongevallen (91 procent) worden veroorzaakt door vallen, schijden aan een schaats is goed voor 4 procent van de ongelukken. De rest komt op het conto van botsingen. Valpartijen waarbij breuken en blessures optreden aan de hand, pols, arm of schouder vormen circa 57 procent van alle schaatsongelukken. Ook hersenschuddingen, snijwonden en onderkoeling komen vaakt voor. Kinderen tussen 10 en 14 jaar vormen de leeftijdsgroep waarin zich de meeste schaatsongelukken voordoen.

Gebroken pols:
20 Procent van alle schaatsongelukken betreft een gebroken pols. Deze is te herkennen aan:
•  Heftige pijn
•  Onvermogen om het lichaamsdeel te gebruiken
•  Zwelling, met later blauwe verkleuring
•  Abnormale stand of bewegelijkheid
•  Bij een open botbreuk uitstekende delen
Een dik opgezwollen blauw wordende hand moet altijd op eventuele breuken gecontroleerd worden. Röntgenfoto’s kunnen kleine scheurtjes in het bot aantonen.

Snijwonden:
Laat kinderen op het ijs altijd (stevige) handschoenen dragen. Voor de kou is het vaak niet nodig (door de inspanning van het schaatsen zijn ze warm genoeg), maar het dragen van handschoenen beschermt de handen tegen snij-ongelukken aan schaatsen. Diepe snijwonden moeten altijd door een deskundige worden gecontroleerd op pees- en zenuwbeschadigingen.

(bron: tijdschrift Reddingswezen, februari 2009)


Verder lezen

Oefen alvast routes naar middelbare school

Oefen alvast routes naar middelbare school

23 januari 2012 | Reacties (1)

Zit je kind in groep 8, dan is dit het moment om met je zoon of dochter te gaan oefenen in de routes naar de middelbare school. Nu kan je namelijk nog een keertje proeffietsen in het donker, wat niet meer lukt als je wacht tot later in het schooljaar.

Leer je kind veilig naar het voortgezet onderwijs te fietsenZorgen over veiligheid

De overgang van groep 8 naar de middelbare school is spannend. Een nieuwe school, andere vrienden, nieuwe vakken. En in de meeste gevallen: een stuk verder dan de basisschool. Ouders kunnen letterlijk wakker liggen van de zorgen. “Als Tim nu bij een vriendje aan de andere kant van het dorp gaat spelen, moet hij voor het donker thuis zijn”, vertelt Sabine Jager, moeder van de 11-jarige Tim. “Maar over een half jaar moet hij iedere dag op de fiets naar de middelbare school, zeven kilometer verderop. Ik krijg soms buikpijn als ik daar aan denk. Aan de andere kant, alle kinderen uit het dorp doen het, dus het zal wel goed komen.”

Tientallen doden op schoolroutes

In de meeste gevallen gaat het ook goed. Toch is de bezorgdheid van Sabine en andere ouders niet geheel onterecht. Jaarlijks vallen volgens Veilig Verkeer Nederland (VVN) tientallen doden onder scholieren die op weg zijn naar de middelbare school. “Vaak fietsen ze in groepjes en krijgen meer dan voorheen te maken met allerlei verschillende verkeersdeelnemers. De kans op een ongeval is dan ook groter. In de ongevalcijfers zie je bij de fietsongevallen een piek bij de leeftijd van 13 jaar”, schrijft VVN op zijn website.

Proeffietsen met de klas

Diverse organisaties spelen hier op in met lespakketten en trainingssessies voor groep 8. Zo stoomt het pakket OV4U (dit jaar gratis in Gelderland) achtstegroepers klaar voor het reizen met het openbaar vervoer, geeft ANWB Streetwise fietstrainingen waarin wordt geoefend in het fietsen met een zware rugzak op en heeft de Fietsersbond fietsdocenten klaar staan die leerlingen in groep 8 leert om te gaan met gevaarlijke verkeerssituaties in de buurt van scholen.

Informeer bij de basisschool of een dergelijke training wordt aangeboden. Is dat niet het geval, dan kan je zelf, of via een verkeersouder of de medezeggenschapsraad, erop aandringen dat zo’n training er alsnog komt. Op veel scholen in dorpen is het overigens ook goed gebruik dat de leerlingen van groep 8 begeleid door hun leerkracht de fietsroutes naar de middelbare school een keer proeffietsen.

Ga zelf fietsen met je kind

Het is belangrijk om de brugklassers in spé voor te bereiden op een nieuwe schoolroute. De kinderen hebben namelijk nog weinig verkeerservaring op deze leeftijd. Daarnaast zijn ze nog niet in staat ingewikkelde verkeerssituaties snel te beoordelen en hierop te anticiperen. “Ouders hebben een belangrijke rol om hun kinderen voor te bereiden op de nieuwe schoolroute. Door met hen een paar keer de route samen te fietsen, weten de kinderen dan al beter waar ze op moeten letten”, meldt VVN.

Zo bereid je je kind goed voor op fietsen naar het voortgezet onderwijs:

  • Probeer bij het proeffietsen zo veel mogelijk de situatie na te bootsen waarin je kind volgend schooljaar zelf ook zal fietsen.
  • Oefen in de drukke ochtendspits (gebruik bijvoorbeeld een studiedag waarop je kind vrij van school is).
  • Laat je kind fietsen met een zware rugzak op (een boekentas weegt gemiddeld zeven kilo).
  • Bespreek wat goed gaat en wat niet.
  • Wijs je zoon of dochter op gevaarlijke situaties onderweg.
  • Vertel over de risico’s van het fietsen in een groep.
  • Wijs op de gevaren van het gebruik van een mobieltje tijdens het fietsen; de afgelopen vijf jaar is het aantal verkeersongelukken hierdoor fors gestegen, zo meldde de Stichting Consument en Veiligheid onlangs.
  • Beperk het oefenen niet tot één keer. Gebruik de komende maanden om je kind zo veel mogelijk fiets- en verkeerservaring te laten opdoen.

Oefenen met openbaar vervoer

Gaat je zoon of dochter straks met de bus of trein (of een combinatie) naar de middelbare school, oefen dan ook in het gebruik van de OV-chipkaart, de te nemen busroutes en bespreek wat te doen bij vertragingen. Ook hier geldt: doe dit niet één keer, maar vaker. Laat je kind ook eens zelfstandig met het OV gaan.

Lees ook: Hoe kies je een middelbare school?


Verder lezen