Ouders en school

Goede cijfers, tegenvallende Cito's

Goede cijfers, tegenvallende Cito’s

8 februari 2017 | Reacties (1)

Het komt geregeld voor dat kinderen die normaal gesproken hoge cijfers halen slechts matig scoren op Cito-toetsen. Ouders begrijpen vaak niet hoe dat kan – en scholen leggen het ook lang niet altijd goed uit. Toch laat het verschijnsel zich wel verklaren, al zal de exacte oorzaak per kind verschillen.

Cito-toetsen zijn anders dan methodetoetsen

De normale cijfers krijgt je kind voor de reguliere toetsen die horen bij de lesmethode, de zogeheten methodetoetsen. Deze methodetoetsen zijn bedoeld om te controleren of de leerlingen de lesstof beheersen. Ze zijn zo gemaakt dat het merendeel van de leerlingen vrijwel alles goed kan maken. De toetsen van Cito beogen een onderscheid te maken tussen verschillende leerlingen. Door ook moeilijke opgaven in de toets op te nemen, krijgen de betere kinderen de kans om te laten zien wat ze kunnen. Het is dus moeilijker om een hoge Cito-score te halen dan een goed cijfer op een methodetoets.

De methodegebonden toetsen sluiten bovendien naadloos aan op de lesstof. Er worden precies díe kennis en vaardigheden getoetst die je kind in de weken eraan voorafgaand uitgelegd heeft gekregen en intensief heeft geoefend. Deze informatie en kennis ligt dus nog vers in het geheugen. Cito-toetsen worden eens per halfjaar gehouden. Daardoor kan sommige kennis wat zijn weggezakt. Soms komen er ook dingen aan de orde die je kind helemaal nog niet heeft geleerd in de klas; de Cito-toetsen lopen niet altijd helemaal parallel aan het aanbod in de lesmethodes.

margequote blauwDaarnaast kan de vraagstelling in Cito-toetsen de score beïnvloeden. Zo’n toets ziet er anders uit dan wat je kind gewend is en de leerlingen moeten zelf bedenken welke oplossingsstrategie ze moeten gebruiken. Dat is soms best lastig!

Faalangste en stress

Soms ligt de oorzaak van zo’n verschil in scores bij de leerlingen, of bij de manier waarop die Cito-toetsen ervaart. Faalangst kan een rol spelen, als er te veel nadruk wordt gelegd op het belang van de Cito-toets. Was Cito-stress in het verleden nog vooral een woord dat in verband werd gebracht met de Cito-eindtoets in groep 8, steeds vaker duikt het begrip nu ook op in de lagere groepen. Scholen moeten de toetsresultaten van het leerlingvolgsysteem elk jaar verplicht aanleveren bij de Onderwijsinspectie. Die controleert nauwlettend of het niveau schoolbreed aan de verwachtingen voldoet. Dit legt druk op scholen om te zorgen voor goede Cito-scores.

Nu de uitslag van de eindtoets in groep 8 niet meer meetelt voor het schooladvies, wordt er op nogal wat scholen nadrukkelijker gekeken naar de scores uit het leerlingvolgsysteem vanaf groep 6 bij de vaststelling van het schooladvies. Probeer als ouder te voorkomen dat je daarvan in de stress schiet. Dat is het wel het laatste waar je kind bij gebaat is. Uit onderzoek van de Onderwijsinspectie is gebleken dat de Cito-scores uit het leerlingvolgsysteem een heel goede voorspeller zijn voor het niveau van voortgezet onderwijs dat kinderen aankunnen.

Of andersom: slechte cijfers, hoge Cito’s

Sommige leerlingen maken hun methodetoetsen maar matig, maar scoren ineens in de hoogste schaal tijdens Cito-toetsen. Dat kan het gevolg zijn van een slechte werkhouding: je kind heeft niet zo’n zin om zich erg in te spannen of interesseert zich maar matig voor het schoolvak en doet op gewone toetsen niet bijzonder zijn best. Maar een Cito-toets is anders, belangrijker en interessanter. Daar gaat hij wel even voor zitten. Het kan ook zijn dat de leerling onderpresteert: de normale stof is te gemakkelijk en biedt geen uitdaging, maar bij de moeilijkere vragen in de Cito-toets leeft hij op.

Wat de oorzaak ook is van opvallende verschillen tussen de gewone toetsen en de Cito-toetsen, voor de leerkracht moet zo’n verschil altijd een signaal zijn om precies na te gaan wat er aan de hand is. In de praktijk gebeurt dat echter niet altijd. Of alleen bij heel grote verschillen. Of alleen bij leerlingen die helemaal aan de onderkant of helemaal aan de bovenkant van de schaal zitten.

Als je vindt dat de leerkracht de toetsresultaten onvoldoende kan verklaren of te veel blijft hangen in algemeenheden, laat je dan niet te snel met een kluitje in het riet sturen. Vraag of de leerkracht of intern begeleider er nogmaals naar wil kijken en spreek af om er op een later tijdstip op terug te komen. Uiteindelijk is dat de winst van een leerlingvolgsysteem: dat leerkracht en ouders samen de uitslagen bekijken en samen bepalen hoe het gaat met het kind en of er wat extra’s gedaan moet worden.

Verder lezen

Checklist voor het 10-minutengesprek

Checklist voor het 10-minutengesprek

6 februari 2017 | Reacties (1)

Het tienminutengesprek op school is het moment waarop je als ouder wordt bijgepraat over hoe het met je kind gaat op school. En waarop je zelf informatie uitwisselt met de leerkracht. Tien minuten zijn voorbij voor je er erg in hebt. Het is dus zaak de beschikbare tijd zo goed mogelijk te benutten.

Tien tips voor een succesvol tienminutengesprek:

1. Bereid het gesprek voor

Praat met je kind en met je partner. Welke zaken moeten aan de orde komen. Wat gaat goed en wat gaat minder goed? Maak eventueel een lijstje met punten die je wilt bespreken.

Ik vraag altijd van tevoren aan de kinderen wat ze verwachten dat de juf of meester over hen gaat zeggen tijdens het tienminutengesprek. Twan weet het meestal heel goed in te schatten. Iris dacht de vorige keer dat de juf zou zeggen dat ze te veel praatte in de klas. Toen haar juf zei dat Iris juist heel rustig is, hadden we echt iets om even over door te praten.
Ilonka, moeder van Iris (7) en Twan (10)

2. Voer het gesprek vanuit een positieve grondhouding

Zorg voor een goede sfeer door een positieve opmerking te maken of de leerkracht een complimentje te geven. Verplaats je in het standpunt van de leerkracht en toon waardering voor diens werk en deskundigheid. Benoem wat goed gaat en vraag de leerkracht dat ook te doen. Door je eigen houding kun je een prettige sfeer afdwingen.

3. Schroom niet, stel vragen

Als je niet oppast, verzuip je tijdens het tienminutengesprek in onderwijskundig vakjargon. Veel leerkrachten zijn zich niet eens bewust van de kenniskloof tussen henzelf en de ouders. Vraag gerust om uitleg als je iets niet begrijpt. Stel ook vragen als je vindt dat de leerkracht te vaag is. Wat verstaat de juf er precies onder als je zoon ‘heel druk’ is?

4. Iedereen is deskundig

Een tienminutengesprek is tweerichtingsverkeer. De leerkracht vertelt vanuit zijn of haar deskundigheid over je kind, jij doet hetzelfde vanuit jouw deskundigheid als ouder. Jij kent je kind als geen ander. Hoe gedraagt je dochter zich thuis? Wat vertelt je zoon over school? Is je kind heel visueel ingesteld, erg perfectionistisch of raakt het in de war van onverwachte situaties? Vertel het. Laat de leerkracht meedelen in jouw kennis, daardoor weet hij of zij beter waaraan jouw kind behoefte heeft. In de hoogste groepen mag je kind soms zelf aanwezig bij de tienminutengesprekken, net zoals dat op de middelbare school gebruikelijk is. Je kind is immers zelf ook deskundige!

5. Beschouw de leerkracht als bondgenoot

Ouders en leerkrachten hebben hetzelfde belang voor ogen: dat van jouw kind. Luister naar elkaar en voorkom dat je tegenover elkaar komt te staan, ook als je het oneens bent met wat de leerkracht zegt. Praat mét elkaar, niet tegen elkaar. Eenzelfde opstelling mag je ook van de leerkracht verwachten.

6. Blijf uit de sfeer van verwijten

Ga bij problemen niet op zoek naar een schuldige, maar zoek samen een oplossing. Waak ervoor dat je je door de leerkracht in de hoek laat zetten als het gaat om de opvoeding thuis, maar stel je wel open voor suggesties om je kind thuis te ondersteunen. Probeer kritiek te zien als een communicatieve onhandigheid van de leerkracht. Achter de kritiek schuilt als het goed is iets anders: de wens om tot een oplossing te komen, of de behoefte aan meer informatie over de thuissituatie. Formuleer ook je eigen kritiek als een vraag of observatie: “Kan het zo zijn dat…?”, “het valt me op dat…”, “ik kan me vergissen, maar…”

7. Reageer niet vanuit emoties

Loopt het gesprek moeizaam of voel je dat je erg boos of verdrietig wordt door wat je over je kind te horen krijgt, probeer dan niet te veel vanuit je emoties te reageren. Te heftige emoties kunnen een gesprek blokkeren of uit de hand laten lopen en daar schiet niemand iets mee op. Maak in zo’n geval liever een afspraak voor een vervolggesprek, eventueel met een derde gesprekspartner erbij.

Of de juf had haar dag niet, of ze vindt mijn kind echt niet leuk. Ik ben met een katterig gevoel teruggekomen van het tienminutengesprek. Ze had het steeds over ‘puntjes in het gedrag van Jesse’, maar als ik haar dan vroeg wat hij dan fout deed, deed ze heel vaag. Ik weet echt niet wat ik daarmee moet. Als alleenstaande ouder zit ik daar dan ook helemaal alleen. De volgende keer neem ik mijn moeder mee, denk ik.
Mara, moeder van Jesse (7)

8. Wees realistisch

Als ouder wil je graag zo veel mogelijk details te weten komen over je kind, maar voor een leerkracht die in een week tijd dertig kinderen moet bespreken is het onmogelijk om alles over iedereen paraat te hebben. Bovendien is de beschikbare tijd maar beperkt. Toon hier begrip voor, maar blijf wel kritisch. Een goede leraar heeft het gesprek goed voorbereid, heeft materialen van je kind klaarliggen en weet iets persoonlijks te vertellen over je kind. Hetzelfde geldt wanneer er problemen zijn. In de meeste gevallen is het niet realistisch om te verwachten dat een probleem morgen is opgelost, maar je mag wél verwachten dat er op korte termijn een plan van aanpak komt.

9. Maak duidelijke afspraken

Zorg dat afspraken die gemaakt worden duidelijk zijn en zet ze eventueel op papier.

10. Vertel je kind over het gesprek

Kinderen vinden het vaak reuze spannend wat hun ouders en hun leerkracht samen allemaal bespreken. Vertel je kind over het gesprek, leg uit wat er is besproken en waarom dat belangrijk voor hem of haar is.

We gaan er altijd braaf heen, maar die tienminutengesprekken voegen weinig toe. Alleen het eerste gesprek met een nieuwe leerkracht is even spannend, maar daarna hoor je elke keer ongeveer hetzelfde.
Tamara, moeder van Lindy (6) en Björn (10)

Samen of alleen naar het tienminutengesprek?

Het is fijn om met z’n tweeën naar het tienminutengesprek te gaan, ook al betekent het dat je oppas moet regelen. Als je echt geen bijzonderheden verwacht, kan één ouder alleen het ook wel af. Als het nodig is, kun je altijd nog een vervolgafspraak maken waarbij je partner ook aanwezig kan zijn. Sla de tienminutengesprekken niet helemaal over. Komt de tijd waarop je bent ingeroosterd je niet uit? Vraag dan of je op een ander tijdstip kunt komen. Zorg dat je op tijd bent voor het tienminutengesprek, anders loopt het hele tijdsschema in het honderd.

Verder lezen

Herfstkleuters en de overgang naar groep 3

Herfstkleuters en de overgang naar groep 3

30 januari 2017 | Reacties (9)

‘Herfstkinderen’ zijn kinderen die in oktober, november of december zijn geboren.  Over de overgang van herfstkinderen naar groep 3 is veel verwarring. Is een novemberkind dat langer kleutert een officiële zittenblijver? Geldt tegenwoordig 1 januari als ijkdatum? Wat zegt de Onderwijsinspectie hier nu precies over?

Oktobergrens, januarigrens? Wat zijn de regels?

Tot 1985 was het duidelijk: kleuters die vóór 1 oktober zes jaar werden, gingen na de zomervakantie naar de basisschool. Was je na die datum jarig, dan moest je nog een jaartje wachten. Tegenwoordig bestaat die harde grens niet meer. Maar hoe zit het dan wel met kleuters en de overgang naar groep 2 en 3? In Hét basisschoolboek helpt woordvoerder Hans van der Vlies van de Onderwijsinspectie drie hardnekkige misvattingen de wereld uit:

Misvatting 1: De oktobergrens is vervangen door de januarigrens. Kinderen die vóór januari jarig zijn, kleuteren in totaal anderhalf jaar, kinderen die na 1 januari jarig zijn, zitten tweeënhalf jaar in de kleutergroepen.

Hoe zit het wel?
Niet een datum of de leeftijd van je kind, maar alleen de ontwikkeling van je kind en het oordeel van de school hierover bepalen of je kind overgaat. ‘Van overheidswege is er geen enkele richtlijn of wat dan ook met betrekking tot de keuze die scholen hierin maken’, benadrukt Van der Vlies. Scholen moeten hun beslissing over overgaan onderbouwen, maar ‘een onderbouwde plaatsingsbeslissing is niet gebaseerd op de datum waarop het kind jarig is en voor het eerst naar school gaat en ook niet op een teldatum.’

Misvatting 2: Herfstkinderen die na de zomervakantie weer in groep 1 terechtkomen, gelden formeel als ‘zittenblijvers’.

Hoe zit het wel?
‘Van het “officieel aanmerken als zittenblijver” van kinderen is in de leerjaren 1 en 2 geen sprake.’ Volgens de Onderwijsinspectie heeft de school wel iets uit te leggen als je herfstkleuter na de zomervakantie (weer) in groep 1 komt. Van der Vlies: ‘Voor leerlingen die langer dan een half jaar in groep 1 verblijven, is in de geest van de wet meer onderbouwing nodig voor het herhalen van meer dan de helft van het onderwijsaanbod voor groep 1.’ Kinderen die langer kleuteren, hebben volgens de inspectie speciale aandacht nodig, vertelt Van der Vlies. ‘Het is aan de school hoe ze dit verantwoordt.’

Herfstkleuters die tweeënhalf jaar kleuteren, doen langer dan de gewenste acht jaar over de basisschool. Die ‘extra tijd’ wordt hun niet aangerekend, vertelt Van der Vlies. ‘Alleen kinderen die in de zomervakantie jarig zijn, kunnen precies acht jaar over de basisschool doen. Alle andere kinderen doen er korter of langer over. Omdat er maar één vast moment is waarop een schooljaar aanvangt (1 augustus), ontstaat er onvermijdelijk een spreiding van een jaar.’

Er wordt vaak beweerd dat kinderen die langer kleuteren later in hun basisschooltijd niet nog een keer kunnen blijven zitten. Dat is niet zo. Kinderen mogen uiterlijk tot en met het schooljaar waarin zij veertien jaar worden naar de basisschool. Dat betekent dat zelfs een herfstkleuter die drieënhalf jaar kleutert qua leeftijd nog voldoende speling heeft om later nog een keer een groep over te doen. Wel is het zo dat het leeftijdsverschil met klasgenoten daardoor erg groot wordt.

Misvatting 3: Kleuters die na de kerstvakantie op school beginnen, komen na de zomervakantie automatisch in groep 1.

Hoe zit het wel?
Het ‘normale’ verloop is wel dat een kleuter die in mei naar de basisschool gaat, in augustus (opnieuw) in groep 1 komt, als vijfjarige naar groep 2 gaat en als zesjarige in groep 3 begint. De school mag dit echter niet als een automatisme toepassen. ‘Het zou kunnen dat een leerling die in mei voor het eerst op school komt, in groep 1 al zo ver is in zijn ontwikkeling dat hij het volgende schooljaar toe is aan groep 2’, vertelt Van der Vlies. Ieder kind moet dus apart op zijn of haar ontwikkeling worden beoordeeld. ‘De inspectie verlangt van scholen dat ze duidelijke criteria opstellen waarmee ze hun beslissing kunnen onderbouwen.’

Goed om te weten

De Onderwijsinspectie spreekt scholen niet aan op individuele gevallen. Wel gaat ze met scholen in gesprek waar meer dan 12 procent van de kleuters vóór groep 3 vertraging oploopt. In dat geval wordt het beleid van de school tegen het licht gehouden: welke afwegingen maakt een school met betrekking tot de overgang naar een volgend leerjaar?

Verder lezen

Een middelbare school kiezen in 5 stappen

Een middelbare school kiezen in 5 stappen

12 januari 2017 | Reacties (0)

Hoe kies je een middelbare school waar je kind gelukkig wordt? Duizenden ouders van kinderen in groep 8 staan voor die vraag. Volg deze vijf stappen om tot een goede keuze te komen.

Stap 1: Welke scholen zijn er eigenlijk?

Waarschijnlijk heb je wel een aardig idee van de scholen die er in de buurt zijn. Als het goed is, heb je van de basisschool inmiddels een voorlopig schooladvies ontvangen. Je weet dus naar welk schoolniveau je kind waarschijnlijk zal gaan. Ga na op welke scholen je kind terecht kan. Beperk je niet tot scholen dicht in de buurt, maar kijk ook eens wat verder. Bekijk de websites en probeer te achterhalen waarin de scholen van elkaar verschillen.

Stap 2: Ga naar de open dagen

Ja duh… dat had zelf ook al wel bedacht. Vrijwel alle ouders en kinderen maken gebruik van de mogelijkheid die scholen in het voortgezet onderwijs bieden om open dagen bezoeken. Maar veel gezinnen laten ook kansen liggen en dat is jammer.

Wanneer zijn de open dagen?

Op de website VO-gids vind je een handige opendagenplanner. Je voert in in welke periode je open dagen wilt bezoeken, tot welke afstand je wilt zoeken en welk soort onderwijs je interesse heeft. De planner geeft dan een overzicht van alle open dagen die aan je selectiecriteria voldoen. Verder biedt deze website, die hoort bij de gratis VO Gids die vrijwel alle leerlingen van groep 8 via school ontvangen, ook een schat aan informatie over het voortgezet onderwijs en het uitzoeken van een middelbare school.

Ga niet alleen naar de school of scholen waar jij en je kind wel wat voor voelen, maar bezoek ook scholen waarvan je op voorhand denkt dat ze niet aanmerking komen. Tijdens een open dag kun je ontdekken dat zo’n school veel beter bij je kind past dan je had gedacht. Of kom je erachter dat er wel meer kinderen zijn die ver moeten reizen.

Had je het bij het goede eind en is zo’n school inderdaad niet geschikt, dan heb je jouw vermoedens bevestigd gekregen. Ook dat is wat waard bij zo’n ingewikkelde keuze als de schoolkeuze.

Stap 3: Ontdek wat ze je niet vertellen

Open dagen zijn één grote PR-machine voor middelbare scholen. De school wordt blinkend opgepoetst, in de toiletten wordt extra sterke luchtverfrisser gespoten en het onderwijs is er altijd fan-tas-tisch! In alle opwinding over deze nieuwe fase in het leven je kind, kun je je soms wat al te naïef laten overtuigen door prachtige brochures en inspirerende verhalen van docenten.

Koester echter ook een gezonde dosis achterdocht. Want er is altijd iets wat ze je niet vertellen. Hoe je daarachter komt? Heel simpel: vraag ernaar. Knoop eens een informeel gesprekje aan met de leraar die het praatje houdt. Vraag bijvoorbeeld waarom juist hij of zij op deze open dag is. Het levert vaak verrassende antwoorden en inzichten op.

Nog beter: vraag het de leerlingen. Bij elke open dag zijn leerlingen aanwezig. Dat is natuurlijk een mooi visitekaartje voor de school: jongelui die hun school zó leuk vinden dat ze er graag hun vrije middag of avond voor opofferen. Graag? Of omdat er iets mee te verdienen viel? Op veel scholen worden leerlingen voor hun aanwezigheid beloond met vrije dagen of een bioscoopbon. Als je dat weet, bekijk je ze toch anders.

Vraag de leerlingen eens waarom ze meehelpen. En praat dan niet alleen met die vrolijke extraverte meisjes, maar schiet ook eens een paar van die landerige puberjongens aan. Dan hoor je geheid dingen die je nog niet had gehoord. Dat de wc’s normaal altijd enorm stinken bijvoorbeeld. Dat de school helemaal niet helpt met leren plannen, zoals zojuist in dat mooie praatje werd verteld. En dat het wel leuk is dat iedereen op een laptop werkt, maar dat er veel te weinig stopcontacten zijn om computers op te laden en dat de wifi om de haverklap uitvalt.

Ken je kinderen die al langer op deze school zitten? Vraag dan ook aan hen en aan hun ouders wat er bevalt en wat er niet bevalt. Op die manier krijg je een realistischer beeld dan wat je tijdens de open dag te zien krijgt.

O ja, check ook even de site van de Onderwijsinspectie. Daarop kun je precies zien hoe de school presteert.

Stap 4: Zet een streep door vriendschappen

Niet letterlijk natuurlijk, maar wel op je lijstje met criteria. Kinderen zijn nogal eens geneigd om af te gaan op de keuze van vriendjes en vriendinnetjes. Ouders ook trouwens. Het lijkt zo fijn als je kind niet helemaal alleen die stap naar een nieuwe school moet maken. En dat is het ook wel. Maar laat je daar niet door leiden bij de keuze.

Eenmaal in de brugklas verandert de dynamiek razendsnel. Basisschoolvriendschappen kunnen in no time verwateren en nieuwe vriendschappen ontstaan snel. Tenslotte is je kind niet de enige die in een nieuwe situatie terechtkomt.

Natuurlijk zijn er best vriendschappen die moeiteloos doorlopen na de basisschool. Maar het is niet slim om keuze af te stemmen op anderen. Het draait om jóuw kid. Als de vriendschap echt zo sterk is, blijft die ook wel bestaan als de kinderen op verschillende scholen zitten.

Oudere broers of zussen? Die kun je ook wegstrepen. Ieder kind is anders en de school die bij het ene kind past, hoeft niet ook de beste school te zijn voor het andere kind in een gezin. Bij de basisschool is het om praktische redenen handig om op dezelfde school zitten, maar nu je kind lekker zelfstandig naar school gaat, vervalt die noodzaak.

Alleen als je op de grens van twee schoolregio’s woont, moet je opletten. De vakantieplanning wordt behoorlijk ingewikkeld als je kinderen in verschillende regio’s op school zitten en dus in verschillende weken vakantie hebben.

Stap 5: Luister naar je kind

Niet voor niets begon dit artikel met de zin: Hoe kies je een middelbare school waar je kind gelukkig wordt. Want dat is waar het allemaal om draait. Dat weten we wel. En dat zeggen we ook. Hardop. Maar diep van binnen laten ouders zich soms toch door andere dingen leiden. Jij niet, natuurijk. (Maar lees voor de zekerheid toch maar even door.)

Wees eerlijk: vind je die ene school zo leuk omdat hij je doet denken aan jouw middelbare school? Of omdat het onderwijs zó leuk lijkt dat je er zelf haast wel naartoe zou willen? Omdat het een school met aanzien is, waarover je trots kunt vertellen? Of zie jij in deze school dé school die jouw kind het onderwijs kan bieden dat bij hem of haar past, in een sfeer waarin je zoon of dochter zich lekker zal voelen? Realiseer je dat het je kind is dat de komende vier tot zes jaar vijf dagen per week op deze school moet doorbrengen. Niet jij.

Observeer je kind tijdens open dagen. ‘Proef’ hoe hij of zij zich voelt. Praat erover. En luister. Je zult ontdekken dat jullie samen al snel tot dezelfde shortlist komen. Geef je kind ruimte om te kiezen. Het is verbazingwekkend hoe ‘volwassen’ kinderen in groep 8 tot een verstandige en goede keuze kunnen komen.

Verder lezen

10 Goede voornemens voor ouders

10 Goede voornemens voor ouders

2 januari 2017 | Reacties (0)

2017 is begonnen. Heb jij goede voornemens? Een paar kilo afvallen, gezonder leven… Thuisinonderwijs.nl heeft tien goede voornemens op een rijtje gezet speciaal voor ouders met schoolgaande kinderen.

1   Weg met de ochtendstress

  • Leg ’s avonds al spullen klaar en sta een kwartiertje eerder op
  • Gebruik een checklist om niets te vergeten
  • Zorg dat iedereen een goed ontbijt eet

gezonde lunch 2   Vul de broodtrommel met een gezonde lunch

  • Kies voor fruit en groente. Het Voedingscentrum geeft tips
  • Stop wat liefde in de broodtrommel met een leuk briefje. Schrijf ze zelf of download kant-en-klare broodtrommelbriefjes

3   Stimuleer zelfstandigheid

  • Kinderen kunnen meer zelf doen dan je denkt, dus stop met pamperen!
  • Geef je kind eenvoudige taken in huis

Leukedingen doen4   Gun je kind én jezelf vrije tijd

  • Eén sport of club  is voldoende
  • Houd bewust tijd vrij om met het hele gezin door te brengen
  • Ga samen leuke dingen doen

 5   Help mee op school

  • Bied af en toe je diensten aan als hulpouder
  • Doe niet meer dan waar je tijd voor hebt

 hardlopen6   Kom in beweging

  • Sporten geeft energie, die je als ouder goed kunt gebruiken
  • Door zelf te bewegen, geef je je kind het goede voorbeeld

7   Beperk de beeldschermtijd

  • Stel duidelijke limieten in voor de dagelijkste beeldschermtijd
  • Toon belangstelling voor de online activiteiten van je kind en praat er samen over
  • Zoek leuke en leerzame apps op

kinderbedtijd8   Hanteer strikte bedtijden

9   Praat vaker met je kind

  • … in plaats van tegen je kind
  • probeer minder te schreeuwen: positief opvoeden werkt beter en komt de sfeer ten goede

 10   Wel stimuleren, niet pushen

 

Verder lezen

Steeds meer scholen kiezen voor andere schooltijden

Steeds meer scholen kiezen voor andere schooltijden

6 december 2016 | Reacties (1)

Basisscholen verlaten in hoog tempo de klassieke schooltijden en gaan over op andere roosters dan het traditionele model met een lange middagpauze en een vrije woensdagmiddag. De helft van de scholen heeft dat al gedaan. Van de scholen die nu nog traditionele schooltijden hebben, stapt volgend schooljaar nog eens 15 procent over op ander schooltijden. Dat blijkt uit onderzoek van Duo Onderwijsonderzoek.

Steeds meer kinderen eten op school hun lunch.

Steeds meer kinderen eten op school hun lunch.

Vijf jaar geleden hanteerde nog ruim driekwart van de scholen het traditionele schoolmodel. Dit schooljaar (2016-2017) was dat op nog maar 50 procent van de scholen het geval en volgend schooljaar ligt dit percentage weer lager. Inmiddels hanteert bijna een kwart (22%) van de basisscholen het continurooster: vier dagen les met een korte middagpauze op school, woensdagmiddag vrij.

Vijf-gelijke-dagen-model steeds populairder

Een ander populair schoolrooster is het vijf-gelijke-dagen-model, waarin kinderen alle dagen even lang naar school gaan en er geen vrije woensdagmiddag meer is. Eén op de zes scholen hanteert dit rooster.

Bij de scholen die dit schooljaar zijn afgestapt van de traditionele schooltijden, is met name het vijf-gelijke-dagenmodel populair. Voor het continurooster wordt de laatste jaren relatief minder vaak gekozen.

Waarom  andere schooltijden

Belangrijke redenen voor basisscholen om over te stappen op het continurooster of het vijf-gelijkedagenmodel zijn:

  • Leerlingen hoeven tussen de middag niet naar huis (dit zorgt voor minder onrust na de pauze en voor een kortere en vloeiendere onderbreking van het lesprogramma).
  • Het biedt meer structuur en duidelijkheid voor leerlingen en voor ouders (alle leerlingen blijven op school in plaats van de ene leerling wel en de andere niet).

 

 

Welke schooltijden zijn er?

Traditionele tijden

  • schooldagen met apart ochtenddeel (circa 8.30-12.00 uur) en apart middagdeel (ca. 13.15-15.15)
  • tussen de middag vrij: overblijven of naar huis
  • woensdagmiddag (en onderbouw vaak vrijdagmiddag) vrij
  • variant: het Hoorns model – vrijdagmiddag altijd vrij

Continurooster

  • schooldagen van 8 tot 14 uur (of 8.30 tot 14.30 uur)
  • woensdagmiddag vrij
  • korte lunchpauze, verplicht eten op school

Vijf-gelijkedagenrooster

  • vijf schooldagen van 8.30 tot 14 uur
  • korte lunchpauze, verplicht eten op school
  • extra vrije dagen omdat de kinderen te veel lesuren per week hebben

Bioritme-rooster

  • vijf dagen van 8.30 tot 16.30 uur
  • leren in op de momenten van maximale alertheid (tussen 10.00-12.00 uur en 14.30-16.30 uur)
  • extra lange middagpauze (12.00-14.30 uur) voor sport, cultuur en andere activiteiten; verzorgd door externe (kinderopvang)organisatie
  • woensdagmiddag (en onderbouw vaak vrijdagmiddag) vrij

7 tot 7-model

  • school is dagelijks open van 7.00 tot 19.00 uur
  • 52 weken per jaar, geen collectieve schoolvakanties
  • geïntegreerd programma van onderwijs, sport en ontspanningBron: Hét Basisschoolboek/DUO Onderwijsonderzoek

Leerkrachten: Continurooster niet het beste voor de kinderen

Een ruime meerderheid van de directeuren die in de afgelopen vier jaar zijn overgestapt naar het continurooster of het vijf-gelijke-dagenmodel, is tevreden over de gekozen schooltijden (continurooster: 81%, vijf-gelijke-dagenmodel: 87%). Ook geeft het grootste deel van de directeuren aan dat de meeste ouders, leerlingen en leerkrachten tevreden zijn over de gekozen schooltijden. Bij de leerkrachten zit relatief de meeste onvrede: 17% van hen is ontevreden over het ingevoerde continurooster en 6% is ontevreden over het ingevoerde vijf-gelijke-dagenmodel.

In het vorige DUO onderwijsonderzoek kwam naar voren dat de leerkrachten het continurooster of het vijf-gelijke-dagenrooster niet de beste modellen vinden voor leerlingen. Leerlingen zouden het meeste baat bij het zogenoemde bioritmemodel: om 10:00 uur beginnen en om 12:00 uur een lange pauze op school met daarin ruimte voor sport en ontspanning. De les begint vervolgens weer om 14:30 uur (tot 16:30 uur). Voor zichzelf vinden de leraren dit bioritmemodel juist weer het minst gunstig.

Lees ook:
Wie beslist over andere schooltijden?
Voor- en nadelen van nieuwe schooltijden
‘Heerlijk, niet meer dan gesleep met kinderen tussen de middag’
Hoeveel uur moeten kinderen naar school?

Verder lezen

Moe van school? Een snipperdag mag (soms)

Moe van school? Een snipperdag mag (soms)

14 november 2016 | Reacties (0)

Voor sommige kleuters is naar school gaan erg vermoeiend. Veel kinderen hebben na een poosje een dipje, waarin ze hangerig of dwars zijn, moeite hebben met opstaan, of misschien wat vaker in bed plassen. Heb je het gevoel dat je kind op zijn tandvlees loopt, houd hem dan gerust eens een middagje thuis om bij te tanken. Zolang je kind nog geen 5 is, mag dat.

moethuishoudenvanschool

Overleg wel altijd met de leerkracht en overdrijf niet: ook al is een 4-jarige nog niet leerplichtig, het is wel de bedoeling dat je kind zoveel mogelijk meedraait in het normale schoolritme.

5-jarige kleuter: vrijstelling aanvragen

Als je kind 5 is, is hij of zij wel leerplichting. Dan moet je kind dus iedere schooldag naar de basisschool. Als je kind niet naar school gaat, ben je zelfs strafbaar.

Toch mag je ook je 5-jarige kleuter  af en toe wat korter naar school laten gaan als een hele schoolweek nog wat te vermoeiend is. De leerplichtwet biedt de mogelijkheid om, in overleg met de schooldirecteur, een vijfjarige kleuter vijf uur per week thuis te houden om overbelasting te voorkomen. Mocht dit nog niet genoeg blijken te zijn, dan mag je daar nog 5 extra uren vrijstelling bovenop vragen.

Totdat je kind 6 jaar is, kun je hem of haar dus maximaal 10 uur per week Het gaat dan om een officiële (gedeeltelijke) vrijstelling van de leerplichtwet. Je hebt dus toestemming nodig van de directeur.

Verder lezen

Kinderen denderen van feest naar feest

Kinderen denderen van feest naar feest

10 november 2016 | Reacties (0)

Het begint met Sint Maarten en vlak daarna komt sinterklaas alweer in Nederland aan. 11 November is de dag die het startpunt markeert van het grote feesthoppen dat tot het einde van het jaar doorgaat. En de ouders, juffen en meesters, zij hoppen mee. Of ze nou willen of niet. “Het voelt als een stroomversnelling, maar wel een heel gezellige.”

Sint Maarten, sinterklaas, kerst: de feestdagen vliegen in razend tempo voorbij. Het is de gezelligste tijd, maar ook de drukste tijd op de basisschool.

Een kleine verzuchting in de koffiekamer op de eerste schooldag na de herfstvakantie. Pff, het gaat weer beginnen: de meest intensieve periode van het schooljaar. De vakantieverhalen zijn amper verteld of de knutselspullen worden tevoorschijn gehaald. Sint Maarten staat voor deur. Lampionnetjes maken. En dat is nog maar de aftrap van het feestseizoen, dat pauzeloos door rolt via de intocht van sinterklaas naar pakjesavond en kerst.

Sinterklaastijd: veel stress bij kinderen

“Het is een ontzettend leuke tijd, maar als leerkracht loop je wel op je tandvlees”, zegt juf Nicolette, groepleerkracht van een groep 1-2.  “Met name sinterklaas is heel onrustig. Dat geeft veel spanning en stress bij de kinderen. Ik probeer er zo laat mogelijk over te beginnen, maar er hoeft in de kring maar één kind te vertellen dat hij iets van sinterklaas heeft gezien en de hele klas gaat erin mee. De periode tussen de herfstvakantie en de kerstvakantie is pittig. Een collega verzuchtte vanochtend nog dat zij er een hekel aan heeft omdat het zo druk is.”

En dan heeft de basisschool waar Nicolette werkt het nog relatief gemakkelijk. Aan Sint Maarten wordt namelijk geen aandacht besteed, vertelt ze. Een weloverwogen besluit. “Dat wordt te veel van het goede. Bovendien staan lang niet alle ouders erachter dat hun kinderen langs de deuren gaan om snoep op te halen.” Dat scheelt weer een feest; een voordeel dat de scholen in gebieden waar Sint Maarten nooit wordt gevierd sowieso hebben.

Op school waar juf Jannet voor groep 7 staat,  is Sint Maarten juist wel een grote happening. Lampionnetjes knutselen staat er op hoog niveau: geen voorgekauwd concept, maar eigen ontwerp. De kinderen bedenken wat ze willen maken, tekenen een ontwerp en stellen een werkplan op, dat vervolgens stap voor stap wordt uitgevoerd. Een grote lampionnenshow op de avond voor Sint Maarten is de eerste in de reeks eindejaaractiviteiten.

“Het is allemaal een hoop werk en het kost veel energie, maar dit is wel een ontzettend leuke periode in het schooljaar”, vindt Jannet. “Een goede planning is heel belangrijk. Als je alles aan laat komen op het laatste moment, geeft dat te veel stress.” Ruim voor de herfstvakantie begint op school de voorbereiding op Sint Maarten, sinterklaas en kerst al. “Iedereen weet daardoor precies waar hij of zij aan toe is. Dat ontlast de leerkrachten.”

Pauze tussen sinterklaas en kerst

Ook op de school waar juf Marloes locatieleider is,  is de planning strak. Marloes: “Sint Maarten, sinterklaas, kerst. We doen overal aan mee. Het voelt als een stroomversnelling, maar wel een heel leuke. In blokken van twee weken razen we door de feesten heen. Meteen na Sint Maarten gaan de sinterklaasspullen de klas in. Na sinterklaas brengen we direct alles in kerstsfeer. Dat is de vervelendste overgang. Het zou fijner zijn om even een pauze in te lassen, maar vaak kan dat niet omdat twee weken na sinterklaas de kerstvakantie al begint. Dan zou de kerstboom maar een week staan.”

Als de kerstvakantie laat valt, is dat een zegen. Iets meer rust tussen sinterklaas en kerst. Nadeel is dat de kinderen lang door moeten tot ze vakantie hebben en dat de periode tussen herfstvakantie en kerstvakantie extra lang is. “De kinderen worden moe, er komt duidelijk minder binnen dan normaal”, weet juf Nicolette. “Dit is ook geen periode om belangrijke toetsen te houden. Dat zou echt een vertekend beeld opleveren doordat kinderen beneden hun normale niveau scoren.”

“November en december zijn heel gezellig maanden op school, maar je moet er als leerkracht goed op letten dat je toch voldoende aan de gewone lesstof toekomst”, beaamt juf Marloes. “Dan maar een iets minder uitgebreid kerstproject. De onderwijsinspectie is er immers ook nog en die verlangt terecht dat de lesstof aan bod komt.” Overigens helpt de structuur van de normale lessen ook om de rust te bewaren, weet juf Jannet. “Wij proberen sinterkaas en kerst zo veel mogelijk in de normale lessen te verweven, zodat het ritme niet wordt verstoord. De feesten worden uitgebreid gevierd, maar wel op de momenten dat het echt nodig is. Niet de hele tijd door.”

 

Doseer de drukte

Niet alleen voor leerkrachten, ook voor ouders van jonge kinderen zijn de laatste twee maanden van het jaar ondanks alle gezelligheid vaak behoorlijk intensief. Zes tips om de drukte te beperken:

  1. Vier het feest na feest. Stel een sinterklaasverbod in tot na Sint Maarten en begin pas met kerst na sinterklaas. Dus nog geen pepernoten in september (ook goed voor de lijn!) of al naar een sinterklaasfilm in de herfstvakantie. De intocht van sinterklaas is een mooi startpunt van de sinterklaasperiode.
  2. Las pauzes in tussen de feesten. De landelijk intocht van sinterklaas is dit jaar  dag na Sint Maarten. Voor sommige kinderen kan dit te snel op elkaar volgen. Overweeg dan Sint Maarten een jaar over te slaan of bezoek de intocht in een dorp waar sinterklaas een week later aankomt. Wacht na pakjesavond een week met het in huis halen van de kerstsfeer. Op steeds meer plaatsen wordt sinterklaas op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Autisme na pakjesavond uitgewuifd. Ook voor niet-autistische kinderen is de afsluiting van de sinterklaasperiode vaak erg abrupt, zeker als gelijk wordt doorgegaan met kerst.
  3. Berg de speelgoedfolders, die al in september uitkwamen, uit het zicht tot het tijd wordt een verlanglijst te maken (of haal ze helemaal niet tevoorschijn). Het bladeren door speelgoedgidsen biedt weliswaar voorpret, maar verhoogt de spanning onnodig.
  4. Beperkt het aantal sinterklaas- en kerstvieringen. Wie wil, kan al snel kiezen uit minstens zes sinterklaasvieringen: thuis, op school, op de BSO of kinderdagverblijf, bij de sportclub, op het werk van papa, op het werk van mama en misschien ook nog wel bij opa en oma of samen met vrienden. Om dat met kerst nog eens dunnetjes over te doen. Maak weloverwogen een keuze.
  5. Beperk het schoenzetten tot één à twee keer per week.
  6. Laat je kind niet naar meerdere sinterklaasseries op televisie kijken. Elke serie heeft zijn eigen verhaal vol spanning en onzekerheden, die jonge kinderen nog als werkelijkheid beleven. Beperk het tv-aanbod bijvoorbeeld tot het Sinterklaasjournaal, waarop vaak op school ook wordt ingehaakt.

Verder lezen

Als rood en groen hetzelfde zijn

Als rood en groen hetzelfde zijn

10 oktober 2016 | Reacties (0)

Kleur speelt een heel belangrijke rol op school, vooral in de laagste groepen. Niet alleen bij de expressievakken, maar ook bij leeractiviteiten. Maar wat als je kind kleurenblind is en de kleuren niet goed ziet?

Links: gewoon. Rechts: zo ziet een kind dat kleurenblind is dit plaatje.

 

Vooral jongens zijn kleurenblind

Kleurenblindheid is een aandoening die veel voorkomt, maar waar erg weinig aandacht voor is. Vraag je aan een leerkracht welke kinderen in de klas dyslectisch zijn, dyscalculie hebben of ADHD, dan wijst deze hen probleemloos aan. Vraag je wie er kleurenblind is, dan blijven veel leerkrachten het antwoord schuldig. Laat staan dat de meester of juf paraat heeft met wélke kleuren de leerling precies problemen heeft. En dat terwijl zo’n acht procent van alle jongens kleurenblind is (meisjes zijn bijna nooit kleurenblind) – een veel hoger percentage dan bij andere leerproblemen!

Kleurenblindheid is vooral lastig

Voor een deel zal het ermee te maken hebben dat kleurenblindheid meestal geen onoverkomelijke obstakels voor het leren oplevert. Het is echter wel een ontzettend lastige aandoening, vooral omdat kleurenblinde kinderen vaak zelf niet door hebben dat ze iets missen of iets anders zien.

Weinig kennis over kleurenblindheid

Helaas is op de meeste basisscholen weinig kennis over kleurenblindheid; een leerkracht die er niet bewust op let, zal het vaak niet herkennen, maar eerder concluderen dat je kind de kleuren nog niet herkent of bepaalde taakjes niet begrijpt. Een paar voorbeelden van welke misverstanden er kunnen ontstaan:

  • Je kleuter moet een ketting rijgen van twee rode gevolgd door drie groene kralen en bakt er helemaal niets van. Veel leerkrachten denken in zo’n situatie niet gelijk aan kleurenblindheid: ‘Hij zal de kleurennamen nog wel niet kennen…’ Of ‘het tellen is nog te moeilijk…’ Of ‘hij heeft nog niet voldoende concentratie om taakgericht bezig te zijn’. Terwijl jouw kleurenblinde zoon het taakje met blauwe en gele knikkers misschien wel probleemloos zou uitvoeren.
    Rode en groene kralen?

    Rode en groene kralen?

  • Je zoon doet in groep 4 een begrijpendlezenlesje over kabouters met rode en groene mutsen. Hij komt in de problemen als hij op de plaatjes met antwoorden die hij moet onderstrepen uitsluitend kabouters met bruinige mutsjes ziet – omdat rood, groen en bruin voor hem nu eenmaal één pot nat zijn. Hij zet op de gok een streep en heeft het fout. Als de juf of meester niet weet dat hij kleurenblind is, zal de conclusie al snel zijn dat dat je kind de tekst niet heeft begrepen. Als ze zich van zijn kleurenprobleem bewust is, kan ze door even met hem te praten achterhalen of hij de tekst wel of niet heeft begrepen.
  • Je zoon in groep 8 maakt een taak met ontleden. Hij moet een rode streep zetten onder de persoonsvorm en een groene streep onder de werkwoorden. Misschien vraagt de juf, heel alert, nog even aan je zoon of het kleurgebruik problemen voor hem opleverden. ‘Nee hoor’, antwoordt jouw prepuber, die vooral niet wil opvallen, met een puberaal staaltje zelfoverschatting, ‘déze rood en groen kan ik wel uit elkaar houden’. Tja, dan komen al die fouten dus toch doordat hij het ontleden niet begrijpt, concludeert de juf. Ze schrijft hem op de lijst van kinderen die extra moeten oefenen met ontleden. Als hij dat nodig heeft, prima natuurlijk. Maar misschien had ze je zoon eerst nog even een herkansing moeten geven zonder de invloed van kleuren.

Als de leerkracht niet voldoende gespitst is op kleurenblindheid (en je kind geeft het zelf ook niet goed aan), kunnen problemen of misverstanden die worden veroorzaakt door kleurenblindheid blijven bestaan. Terwijl ze vaak heel eenvoudig op te lossen zijn als iedereen zich bewust is van het probleem.

Schoolarts test op kleurenblindheid

In groep 2 wordt je kind bij de schoolarts meestal getest op kleurenblindheid. Vraag specifiek om zo’n onderzoek als je vermoedt dat je kind kleurenblind is, want sommige schoolartsen voeren het onderzoek niet meer.

Kleurenblindheid is een erfelijke aandoening, die verschillende vormen kent. Als je kind kleurenblind is, wil dit niet zeggen dat hij helemaal geen kleuren kan zien, maar wel zal hij moeite hebben met het onderscheid tussen bepaalde kleuren. Welke kleuren dat zijn en in welke mate, verschilt van persoon tot persoon, wat kleurenblindheid voor niet-kleurenblinden nog ingewikkelder maakt om te begrijpen.

De meeste kleurenblinden hebben moeite met rood en groen, maar soms ook met roze en grijs of blauw en paars. Probeer erachter te komen hoe jouw kind de kleuren ziet en geef eventueel een lijstje aan de leerkracht zodat die er alert op kan zijn.

Zelf testen?

Heb je het vermoeden dat je kind kleurenblind is? Dan kan de huisarts of het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) je kind testen. Dat kan pas vanaf 4 jaar, omdat het voor peuters nog moeilijk is om kleuren van elkaar te onderscheiden.
Vaak wordt kleurenblindheid vastgesteld door middel van de Ishihara-test. Die test bestaat uit een set kaarten met gekleurde stippen, waarin in een afwijkende kleur voor niet-kleurenblinden een cijfer of plaatje te zien is, zoals deze

test-kleurenblindheid-ishihara

Deze test (en andere testen) kun je online ook vinden, bijvoorbeeld op kleurenblindheid.nl. Hoewel zo’n test op internet je goed kan helpen om na te gaan of je vermoeden dat je kind kleurenblind is ergens op gestoeld is, is het geen helemaal waterdicht bewijs. Wil je het echt zeker weten en wil je ook inzicht in de mate en vorm van kleurenblindheid van je kind, dan is het verstandig om de test bij een arts te herhalen.

Ongeveer acht procent van de jongens (en 0,4 procent van de meisjes) is kleurenblind, wat inhoudt dat ze moeite hebben met het onderscheid tussen bepaalde kleuren als rood-bruin-groen en blauw-roze-grijs. Kleurenblindheid is erfelijk. Wees dus extra alert als kleurenblindheid in je familie voorkomt.

Kleuren en school: 5 tips voor als je kind kleurenblind is

1. Vertel de leerkracht dat je kind kleurenblind is

Vraag de juf of meester om alert te zijn op problemen die kleurenblindheid kan opleveren. Ga na wat de leerkracht weet van kleurenblindheid. Geef voorbeelden van problemen waar je kind tegenaan kan lopen. Vertel ook dat je kind zelf niet altijd de meest betrouwbare persoon is om aan te geven of de kleuren een probleem zijn: als kleurenblinde kan je kind soms immers helemaal niet doorhebben dat hij of zij iets niet ziet. Heel verduidelijkend zijn foto’s waarin het beeld van een kleurenblinde wordt gesimuleerd:

Zo (rechts) ziet een bak kraaltjes eruit voor een kleurenblinde die moeite heeft met rood en groen.

Zo (rechts) ziet een bak kraaltjes eruit voor een kleurenblinde die moeite heeft met rood en groen.

En zo kunnen die kraaltjes eruit zien bij een kind blauwtinten anders ziet

En zo kunnen die kraaltjes eruit zien bij een kind blauwtinten anders ziet

Hoewel elke kleurenblinde de kleuren anders ziet, en zo’n foto dus slechts het beeld is van één kleurenblinde, geven dit soort foto’s wel een heel goed idee van hoe een kind dat kleurenblind is de wereld ziet. Voor veel leerkrachten is dit een echte eye-opener.

Herhaal dit gesprekje elk schooljaar. Een aantekening ‘is kleurenblind’ in het leerlingdossier is vaak niet voldoende om de leerkracht op scherp te krijgen.

2. Praat erover met je kind

Veel kinderen die kleurenblind zijn, ontwikkelen allerlei trucjes om met hun kleurenblindheid om te gaan. Hoewel dit op zich natuurlijk hartstikke slim is, is het nog veel gemakkelijker – en vaak ook verstandiger – om het ook gewoon hardop te zeggen als je de kleuren niet kan zien…

3. Plak stickertjes op kleurpotloden

Koop een doos met kleurpotloden voor je kind en plak op de potloden een stickertje met de naam van de kleur. Kan je kind nog niet lezen? Dan kun je samen kleine tekeningetjes afspreken die als kleur-icoontjes dienst kunnen doen. Denk aan: een boompje voor donkergroen, grassprieten voor lichtgroen, een zonnetje voor geel, golfjes water voor blauw en een varkentje voor roze.

4. Laat je kind een spreekbeurt houden over kleurenblindheid

Kinderen die kleurenblind zijn, worden door klasgenoten vaak voortdurend uitgedaagd om kleuren te benoemen. Omdat ze niet met alle kleuren moeite hebben, geloven klasgenootjes vaak niet dat ze kleurenblind zijn. Of ze denken ten onrechte dat je kind dom is omdat het de kleuren nog niet ‘kent’. Een spreekbeurt waarin je kind uitlegt wat kleurenblindheid inhoudt, maakt veel duidelijk.

5. Speciale versie van de eindtoets in groep 8

Bij de eindtoets in groep 8 wordt rekening gehouden met kinderen die kleurenblind zijn. Herinner de leerkracht er tijdig nog even aan dat je kind kleurenblind is, dan weet je zeker dat je kind geen boekje voor zijn neus krijgt met kleuren die hij niet goed kan zien.
Van de papieren editie van de centrale eindtoets (Cito) is een speciale zwart-wit versie voor kinderen die kleurenblind zijn. De online Cito-eindtoets geeft geen problemen voor kleurenblinden. Hetzelfde geldt voor de eindtoets van ROUTE8. Van de IEP Eindtoets is een
zwart-wit uitgave van de opgavenboekjes beschikbaar.

Heeft jouw kind last van zijn/haar kleurenblindheid?

Loopt jouw kind door kleurenblindheid ook tegen dingen aan op school? Of heb je er zelf ervaring mee? Wordt je zoon of dochter ermee gepest of heb je juist grappige dingen meegemaakt door de kleurenblindheid? Deel je verhaal hieronder en help andere ouders met jouw tips en tricks.

Verder lezen