Scholen verschillen enorm in kwaliteit

Scholen verschillen enorm in kwaliteit

12 april 2017 | Reacties (0)

Wil je je kind de beste kansen geven? Kijk dan goed uit de bij de keuze van een basisschool. De kwaliteitsverschillen tussen Nederlandse basisscholen zijn enorm. Ook als het gaat om scholen in dezelfde wijk en met vergelijkbare leerlingpopulaties. Leerlingen met dezelfde talenten kunnen op de ene school tot wel twee schoolniveaus lager uitkomen op de centrale eindtoets dan op een andere school. Dat concludeert in de Onderwijsinspectie in haar jaarlijkse publicatie De staat van het onderwijs.

‘Er gaat veel talent verloren’

Vorig jaar waarschuwde de inspectie voor kansongelijkheid voor kinderen van laagopgeleide ouders. Daarin is inmiddels al verbetering te zien, maar nu blijkt dus dat ook de schoolkeuze grote kansongelijkheid met zich meebrengt. “Nederland is koploper schoolverschillen”, zegt Monique Vogelzang, Inspecteur-generaal van het Onderwijs. “Het blijkt voor je kansen enorm uit te maken op welke school je zit. Het kan goed uitpakken of je kunt pech hebben. Er gaat veel talent verloren.”

De basiskwaliteit is op de meeste scholen wel aanwezig, maar het gaat volgens Vogelzang om ‘de onzichtbare kwaliteit boven de minimumnorm’ die het verschil maakt. “Bij succesvolle scholen staat het steeds willen verbeteren bovenaan. De leerkrachten gaan bij collega’s kijken in de les en zijn niet bang om feedback te geven. Of ze lopen stage op een andere school. Gerichte steun van het schoolbestuur en de overheid speelt hierbij een belangrijke rol.’

Een van de belangrijkste bevindingen in de Staat van het Onderwijs 2017 is dat er te grote verschillen tussen scholen zijn. Wat betekent dit voor leerlingen?

Een van de belangrijkste bevindingen in de Staat van het Onderwijs 2017 is dat er te grote verschillen tussen scholen zijn. Wat betekent dit voor leerlingen?

Kwaliteitsverschillen tussen scholen zijn overal in Nederland

De kwaliteitsverschillen tussen scholen treden op bij alle schooltypen, in alle sectoren en in het hele land, concludeert de inspectie. Van kleine basisscholen op het platteland tot gymnasia in de Randstad, van grote vmbo’s tot hogescholen en universiteiten.

Door de bank genomen is het niveau van het onderwijs in Nederland volgens de inspectie nog steeds goed. “De gemiddelde prestaties zijn hoog, maar stabiel of dalend. Dit komt doordat onze top smaller wordt: het aantal leerlingen dat goed presteert is de afgelopen tien tot twintig jaar flink teruggelopen.”

‘Scholen moeten beter nadeken hoe ze hun geld besteden’

Minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) maken zich ‘grote zorgen’ over de verschillen. ‘Het feit dat het van je school afhangt of je talenten volledig worden benut, zorgt voor kansenverschillen tussen leerlingen op verschillende scholen. Dat is uiterst ongewenst’, laten ze in een schriftelijke reactie weten.

Bussemaker waarschuwt scholen dat ze hun budgetten niet ‘mechanisch’ moeten verdelen zonder na te denken over waar de grootste problemen zitten. “De grote vrijheid die scholen hebben, betekent ook dat ze een grote verantwoordelijkheid hebben.”

‘Niets-aan-de-hand-scholen’

Staatssecretaris Sander Dekker zegt in een reactie dat de Onderwijsinspectie met dit rapport de mythe doorprikt dat ‘de scholen in Nederland allemaal wat kwaliteit betreft wel hetzelfde zijn’. “Het laat zien dat het wel degelijk uitmaakt naar welke school je je kind stuurt.” Vooral op ‘niets-aan-de-hand-scholen’ valt volgens hem veel winst te behalen. Dit zijn scholen die de minimumnormen vrij probleemloos halen, maar niet zich inspannen om een hoger niveau te bereiken.

Dekker wijst erop dat met gerichte keuzes scholen in vrij korte tijd hun kwaliteit enorm kunnen verbeteren. Zwakke en zeer zwakke scholen slagen er doorgaans binnen een of enkele jaren om een goede of zelfs een excellente school te worden. “De programma’s die we hebben ingesteld voor zwakke scholen, de vliegende brigades die deze scholen bijstaan, gaan we nu ook beschikbaar stellen voor de middelmaat”, kondigt hij Dekker aan. Maar scholen moeten daar niet op gaan zitten wachten, zo waarschuwt hij. “Wees niet te snel tevreden met hoe het nu gaat.”

 

 

Verder lezen

Ouders willen liever helpen op inhoud

Ouders willen liever helpen op inhoud

12 april 2017 | Reacties (0)

Ouders willen best helpen op school, maar ze leveren liever een inhoudelijke bijdrage dan dat ze luizenpluizen, lokalen schoonmaken of als chauffeur meegaan met klassenuitjes. Dat blijkt uit een enquête die is afgenomen door Ouders en Onderwijs, de belangenorganisatie van ouders binnen onderwijsinstellingen. De hartekreet van ouders, gericht aan scholen: ‘Benut de expertise van ouders, die voor het grijpen ligt.’

1100 ouders vulden de enquête in en zo’n 250 ouders ging ook nog eens met met elkaar in gesprek gegaan over vijf thema’s: ouderbijdrage, privacy, schooltijden en vakanties, pesten en overgangen binnen en tussen scholen. Ouders en Onderwijs heeft de resultaten weergegeven in het online magazine de Staat van de Ouder, dat door iedereen te raadplegen is.

Ouders helpen graag

Uit de enquête blijkt dat 80 procent van de ouders tevreden is met de eigen deelname aan activiteiten. Meer dan de helft van de ouders vindt het ‘normaal’ om op school te helpen, het hoort erbij. Ze doen het ook omdat ze het leuk vinden, zegt bijna de helft van de ouders in het basisonderwijs, al wordt er wel geklaagd dat het ‘altijd dezelfde ouders zijn die meehelpen’.

Vrijwillige ouderbijdrage voelt als verplichting

De ouderbijdrage in het onderwijs is vrijwillig, maar driekwart van de ouders voelt zich verplicht om te betalen. Het jaarlijkse bedrag dat per kind aan ouders wordt gevraagd varieert van 35 tot 135o euro per jaar. Vooral op speciale scholen, scholen voor hoogbegaafden of vrije scholen kunnen de bedragen oplopen. Er is veel sociale controle en wie (nog) niet betaald heeft kan daar op het schoolplein op aangesproken worden en krijgt diverse mails om aan de ‘vrijwillige’ bijdrage te helpen herinneren. Veertig procent van de ouders geeft aan niet te weten waarvoor de ouderbijdrage precies wordt bedoeld.

Overgang naar middelbare school bezorgd ouders hoofdpijn

Over één ding zijn eigenlijk alle ouders het wel eens: de overgang van groep 8 naar de middelbare school is iets wat je als ouder uit de slaap houdt en hoofdpijn bezorgt. De ondervraagde ouders geven aan dat ze nauwelijk een idee hebben hoe precies het schooladvies tot stand komt. Ouders willen beter begeleid en geïnformeerd worden in het proces van het schooladvies. Bovendien geven ze aan dat ze activer betrokken willen worden in de totstandkoming van het advies. Welke rol de verplichte eindtoets in groep 8 precies speelt, is veel ouders ook niet duidelijk.

In ons gratis boekje Alles over de eindtoets kun je meer lezen het schooladvies, de eindtoets en wat er wordt gedaan met de uitslag van de eindtoets in groep 8.

Schooltijden, pesten en nog veel meer

Neem vooral de tijd om de Staat van de Ouder eens rustig door te lezen. Het is geen saai rapport, maar een prettig leesbaar online magazine. Interessante onderwerpen zijn bevoorbeeld ook de hoofdstukken over schooltijden en vakanties en de aanpak van pesten.

 

 

 

 

Verder lezen

Herfstkleuters en de overgang naar groep 3

Herfstkleuters en de overgang naar groep 3

6 april 2017 | Reacties (11)

‘Herfstkinderen’ zijn kinderen die in oktober, november of december zijn geboren.  Over de overgang van herfstkinderen naar groep 3 is veel verwarring. Is een novemberkind dat langer kleutert een officiële zittenblijver? Geldt tegenwoordig 1 januari als ijkdatum? Wat zegt de Onderwijsinspectie hier nu precies over?

Oktobergrens, januarigrens? Wat zijn de regels?

Tot 1985 was het duidelijk: kleuters die vóór 1 oktober zes jaar werden, gingen na de zomervakantie naar de basisschool. Was je na die datum jarig, dan moest je nog een jaartje wachten. Tegenwoordig bestaat die harde grens niet meer. Maar hoe zit het dan wel met kleuters en de overgang naar groep 2 en 3? In Hét basisschoolboek helpt woordvoerder Hans van der Vlies van de Onderwijsinspectie drie hardnekkige misvattingen de wereld uit:

Misvatting 1: De oktobergrens is vervangen door de januarigrens. Kinderen die vóór januari jarig zijn, kleuteren in totaal anderhalf jaar, kinderen die na 1 januari jarig zijn, zitten tweeënhalf jaar in de kleutergroepen.

Hoe zit het wel?
Niet een datum of de leeftijd van je kind, maar alleen de ontwikkeling van je kind en het oordeel van de school hierover bepalen of je kind overgaat. ‘Van overheidswege is er geen enkele richtlijn of wat dan ook met betrekking tot de keuze die scholen hierin maken’, benadrukt Van der Vlies. Scholen moeten hun beslissing over overgaan onderbouwen, maar ‘een onderbouwde plaatsingsbeslissing is niet gebaseerd op de datum waarop het kind jarig is en voor het eerst naar school gaat en ook niet op een teldatum.’

Misvatting 2: Herfstkinderen die na de zomervakantie weer in groep 1 terechtkomen, gelden formeel als ‘zittenblijvers’.

Hoe zit het wel?
‘Van het “officieel aanmerken als zittenblijver” van kinderen is in de leerjaren 1 en 2 geen sprake.’ Volgens de Onderwijsinspectie heeft de school wel iets uit te leggen als je herfstkleuter na de zomervakantie (weer) in groep 1 komt. Van der Vlies: ‘Voor leerlingen die langer dan een half jaar in groep 1 verblijven, is in de geest van de wet meer onderbouwing nodig voor het herhalen van meer dan de helft van het onderwijsaanbod voor groep 1.’ Kinderen die langer kleuteren, hebben volgens de inspectie speciale aandacht nodig, vertelt Van der Vlies. ‘Het is aan de school hoe ze dit verantwoordt.’

Herfstkleuters die tweeënhalf jaar kleuteren, doen langer dan de gewenste acht jaar over de basisschool. Die ‘extra tijd’ wordt hun niet aangerekend, vertelt Van der Vlies. ‘Alleen kinderen die in de zomervakantie jarig zijn, kunnen precies acht jaar over de basisschool doen. Alle andere kinderen doen er korter of langer over. Omdat er maar één vast moment is waarop een schooljaar aanvangt (1 augustus), ontstaat er onvermijdelijk een spreiding van een jaar.’

Er wordt vaak beweerd dat kinderen die langer kleuteren later in hun basisschooltijd niet nog een keer kunnen blijven zitten. Dat is niet zo. Kinderen mogen uiterlijk tot en met het schooljaar waarin zij veertien jaar worden naar de basisschool. Dat betekent dat zelfs een herfstkleuter die drieënhalf jaar kleutert qua leeftijd nog voldoende speling heeft om later nog een keer een groep over te doen. Wel is het zo dat het leeftijdsverschil met klasgenoten daardoor erg groot wordt.

Misvatting 3: Kleuters die na de kerstvakantie op school beginnen, komen na de zomervakantie automatisch in groep 1.

Hoe zit het wel?
Het ‘normale’ verloop is wel dat een kleuter die in mei naar de basisschool gaat, in augustus (opnieuw) in groep 1 komt, als vijfjarige naar groep 2 gaat en als zesjarige in groep 3 begint. De school mag dit echter niet als een automatisme toepassen. ‘Het zou kunnen dat een leerling die in mei voor het eerst op school komt, in groep 1 al zo ver is in zijn ontwikkeling dat hij het volgende schooljaar toe is aan groep 2’, vertelt Van der Vlies. Ieder kind moet dus apart op zijn of haar ontwikkeling worden beoordeeld. ‘De inspectie verlangt van scholen dat ze duidelijke criteria opstellen waarmee ze hun beslissing kunnen onderbouwen.’

Goed om te weten

De Onderwijsinspectie spreekt scholen niet aan op individuele gevallen. Wel gaat ze met scholen in gesprek waar meer dan 12 procent van de kleuters vóór groep 3 vertraging oploopt. In dat geval wordt het beleid van de school tegen het licht gehouden: welke afwegingen maakt een school met betrekking tot de overgang naar een volgend leerjaar?

Verder lezen

Kinderen tekenen slechter dan vroeger

Kinderen tekenen slechter dan vroeger

1 april 2017 | Reacties (0)

Kinderen anno nu maken minder goede tekeningen dan twintig jaar geleden. Ook weten ze minder van muziek dan hun leeftijdsgenoten twee decennia eerder. De Onderwijsinspectie heeft dat vastgesteld in een onderzoek naar de stand van het cultuuronderwijs op de basisschool.

De Onderwijsinspectie deed in het schooljaar 2015-2016 onderzoek onder achtstegroepers naar de kunstzinnige ontwikkeling. De kinderen kregen in de dit onderzoek dezelfde tekenopgave en muziekkennistest als twintig jaar eerder ook in groep 8 was afgenomen. De resultaten werden volgens dezelfde normering beoordeeld.

Wat bleek? Kinderen van nu maken minder gedetailleerde tekeningen dan kinderen twintig jaar eerder deden. Ze tekenen meer afzonderlijke elementen in plaats van het volledige verhaal en zijn ook schematischer gaan tekenen. Een verklaring zou kunnen zijn dat de kwaliteit van de kindertekeningen wordt beïnvloed door de snelheid van de hedendaagse beeldcultuur.

Kinderen van nu tekenen anders, maar slechter?

Anouk Custers is cultuurcoördinator bij SEP, de stichting Educatieve Projecten in Amsterdam. Zij merkt hierover op: “De digitalisering van ons leven heeft creativiteit vluchtiger gemaakt. Dat kan je als een verlies zien, maar ook als een andere vaardigheid. Dus er zijn andere criteria nodig, criteria die weerspiegelen wat de samenleving heeft doorgemaakt.” Ook

Ook Robert Knox stelt in het rapport de vraag of de criteria van twintig jaar geleden tegenwoordig nog wel gebruikt kunnen worden. Knox is afdelingshoofd Cultuureducatie bij het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst. Hij vindt dat meer naar de beeldcultuur moet worden gekeken dan naar het tekenen. “De beeldcultuur is veel breder. Kinderen spelen Minecraft. Aan de ene kant is dat een heel grofmazige verbeelding. Maar tegelijk stimuleert het het ruimtelijk denken enorm en vraagt het veel creativiteit. Dus dan zien leerlingen dat ze geen details nodig hebben om fantasierijk te werken.” Hij pleit ervoor de zaak om te draaien en de tekeningen uit 1996 te beoordelen met de criteria van nu om de trend in beeld te brengen.

Cultuurkennis varieert sterk

De Inspectie bekeek niet alleen kindertekeningen, maar nam de leerlingen ook een schriftelijke kennistoets af om te meten wat ze wisten van muziek, drama, dans en beeldende kunst. Zo werd bijvoorbeeld bij een muziekfragment gevraagd aan te geven uit welk land deze muziek komt. Ook vragen over de compositie van een schilderij of uit welke tijdsperiode een schilderij is, waren onderdeel van de kennistoets.

Van de kennisopgaven in de schriftelijke toets hadden de leerlingen in groep 8 gemiddeld iets meer dan de helft goed. Geen enkele leerling had alle opgaven goed of alle opgaven fout. Het verschil tussen hoog presterende en laag presterende leerlingen was groot. Hoog presterende leerlingen hadden ongeveer twee keer zoveel opgaven goed als laag presterende leerlingen. Ook bleek het uit te maken of een school een internet cultuurcoördinator heeft. Op de scholen met zo’n cultuurcoördinator werd de kennistoets beter gemaakt.

 

Wie geeft de kunstvakken op school?

Meestal is het de eigen leerkracht die de lessen voor kunstzinnige oriëntatie geeft. Op een kwart van de bevraagde basisscholen is een vakleerkracht voor een van de disciplines aangesteld. Driekwart van de scholen geeft aan een interne cultuurcoördinator te hebben. Dat is een leerkracht of schoolleider die zich heeft gespecialiseerd in cultuuronderwijs, het cultuuronderwijs op de school organiseert en soms ook de lessen op dit gebied verzorgt.

 

Muziekkennis is afgenomen

In de kennistoets zaten dertien opgaven over muziek die in 1997 ook zijn voorgelegd aan leerlingen in groep 8 van het basisonderwijs. Maar liefst elf van de dertien vragen werden slechter gemaakt dan twintig jaar geleden. Twee opgaven werden nu beter gemaakt.

Anderhalf uur per week aandacht voor kunstvakken

Gemiddeld krijgen de kinderen in groep 3 tot en met groep 8 anderhalf uur per week les kunstzinnige oriëntatie. De meeste tijd wordt besteed aan beeldende activiteiten, zoals tekenen: gemiddeld ruim een uur per week. De gemiddelde tijd die wordt besteed aan dans en cultureel erfgoed is het laagste, rond de tien minuten per week per vak.

 

 

 

 

 

Verder lezen

dt uitleggen

Werkwoordspelling valt écht te leren

30 maart 2017 | Reacties (0)

Werkwoordspelling is voor veel kinderen het lastigste spellingonderdeel om te leren. Het is in elk geval het belangrijkste. In iedere zin staat immers een werkwoord! In groep 6 leert je kind de eerste beginselen van werkwoordspelling, in groep 7 en 8 wordt net zo lang geoefend tot de fijne kneepjes ook onder de knie zijn.

Het is althans de bedóeling dat alle leerlingen aan het eind van de basisschool de werkwoordsvormen foutloos kunnen spellen. Daarom is het ook een vast onderdeel in de verplichte eindtoets in groep 8. In de praktijk echter blijft werkwoordspelling voor veel kinderen (én volwassenen) een struikelblok: is het nou met een d, een t of toch dt…? Schrijf je -dde of -tte…?

Toch valt het allemaal best te leren. Het is een zaak van de regels kennen en weten hoe je die moet toepassen. De regels zijn niet zo moeilijk, maar het juist toepassen wel. Dat laatste is vooral een kwestie van oefenen. Als je kind moeite heeft met werkwoordspelling, is het een goed idee om thuis ook wat te oefenen. Doe dat niet te lang achter elkaar, maximaal een kwartiertje per dag, en doe vooral zelf ook mee als jouw d’s en t’s wel een opfrisbeurtje kunnen gebruiken.

Stam +t en ’t ex-kofschip

De werkwoordspelling kent slechts twee hoofdregels. De regel van stam +t (groep 6) en de regel van ’t ex-kofschip (of ’t sexy fokschaap, zo je wilt) (groep 7 en 8).  En dan moet je ook nog eens het verschil weten tussen de tegenwoordige tijd, de verleden tijd en de voltooide tijd. Uiteraard worden deze regels op school uitgebreid behandeld en herhaald en misschien kun je ze zelf ook nog wel uit je geheugen opdiepen om aan je kind uit te leggen.

Als je even niet meer weet hoe het precies zit, dan bieden onderstaande educatieve clipjes van Het Klokhuis en de NTR een uitkomst. Ze zijn kort, grappig en je vergeet de uitleg nooit meer.

Snapje? ft. De Staat – D en dt

Wanneer schrijf je een werkwoord met een d, en wanneer met dt? muziek: De Staat // tekst: Jan Beuving // video: Mascha Halberstad en Sverre Fredriksen Meer Snapjes èn alle songteksten op: http://schooltv.nl/programma/snapje/

 

Wat is ’t kofschip?

Is het ‘geschilderd’ of ‘geschildert’? Met ’t kofschip kun je heel makkelijk checken of een werkwoord in de verleden tijd een ‘d’ of een ‘t’ krijgt.

 

Hoe kun je werkwoordspelling oefenen?

Heeft je kind de regels eenmaal door, dan zal hij of zij met wat oefenen goed leren spellen. Gelukkig is er tegenwoordig leuk oefenmateriaal waar kinderen zowel op school als thuis mee aan de slag kunnen.

Er zijn tal van apps en websites (zie: Populaire apps om spelling te oefenen), maar ook een spel als Warrige woorden is heel leuk om de werkwoordspelling met te oefenen. Dit is een kwartetspel waarmee je de spelling van werkwoordsvormen (d, t, of dt in de o.v.t.) kunt oefenen. Met behulp van een ‘magische envelop’ kun je zelf controleren of je een woord goed hebt gespeld.

 

Non scholae, sed vitae discimus

Of je met je kind gaat oefenen en op welke manier, is iets wat je als ouder zelf zult moeten beslissen. Sommige kinderen hebben genoeg aan het intensieve oefenen van werkwoordspelling in groep 6, 7 en 8. Andere kunnen best wat extra oefening gebruiken. Als je advies wilt, overleg dan vooral ook even met de leerkracht.

Schrijven zonder d/t-fouten is een waardevolle vaardigheid. Niet eens zo zeer voor een goed rapport of een mooie Cito-score, maar vooral ook voor de rest van het leven. Non scholae, sed vitae discimus, zei de Romeinse wijsgeer Seneca: niet voor de school, maar voor het leven leren wij. Iedereen die wel eens twijfelt over een -d of -t in een e-mailtje of sollicitatiebrief begrijpt hoe zeer die uitspraak van toepassing is op werkwoordspelling.

 

Verder lezen

Geld maakt kinderen gelukkig, vooral jongens

Geld maakt kinderen gelukkig, vooral jongens

27 maart 2017 | Reacties (0)

Kinderen hebben liever veel geld dan dat ze spullen hebben. Maar liefst driekwart van de kinderen heeft liever een volle spaarpot dan spullen. Dat blijkt uit onderzoek van Deloitte onder ruim 500 kinderen. Deloitte initieerde het onderzoek in het kader van de Week van het Geld, die vandaag van start is gegaan.

Vooral jongens zijn gek op geld. 66 procent van de jongens in de leeftijd van tien tot en met twaalf jaar vindt dat geld gelukkig maakt. Bij meisjes ligt dit percentage veel lager (49%).

Meeste kinderen krijgen zakgeld

Uit het onderzoek blijkt verder dat 76 procent van de kinderen tussen de tien en twaalf jaar zakgeld krijgt. Gemiddeld krijgen zij 13 euro zakgeld per maand. Kinderen blijken fanatieke spaarders, want 80 procent geeft aan te sparen. Ze sparen gemiddeld 9 euro per maand. Het merendeel van de kinderen (88%) vindt het belangrijk om te sparen, omdat ze geld willen hebben voor later (51%), ze dan iets duurs kunnen kopen (41%) en leuke dingen kunnen doen (37%).

Kinderen alert op vloggers

Niet alleen vriendjes en vriendinnetjes (50%) en reclame (42%) inspireren kinderen om producten te kopen, ook vloggers (20%) blijken een belangrijke inspiratiebron. De invloed van vloggers verschilt per leeftijd: met name twaalfjarigen laten zich beïnvloeden door vloggers (25%); elfjarigen (18%) en tienjarigen (18%) in mindere mate. Vloggers inspireren kids met name om computergames te kopen, maar ook kleding, schoenen en sieraden en gadgets zoals iPad’s en smartphones. Ondanks alle inspiratie blijft het overgrote deel van de kinderen alert; negen op de tien kinderen weet dat vloggers geld krijgen voor het promoten van producten.

Verder blijkt uit het onderzoek dat:

• kinderen vinden dat geld gelukkig maakt omdat ze dan alle leuke dingen kunnen doen die ze willen (58%) en ze dan alles kunnen kopen wat ze willen (53%);
• 39 procent van de kinderen zich rijk voelt als ze gezond zijn;
• 4 procent liever hun leven lang een vast bedrag krijgt per maand dan 1 miljoen euro in één keer;
• bijna de helft van de kinderen weleens iets online koopt;
• 77 procent liever zelf hun geld verdient dan dat ze het van iemand krijgen.

Over het Nationaal Geldexamen

De Week van het Geld is een jaarlijks initiatief van het platform Wijzer in Geldzaken en vindt plaats van 27 tot en met 31 maart.  Dit jaar faciliteert Deloitte voor de zesde keer het Nationaal Geldexamen tijdens deze week. Het Nationaal Geldexamen is een initiatief van Deloitte en is ontwikkeld in nauwe samenwerking met het Nibud en Uitgeverij Zwijsen. Het leert kinderen uit groep zeven en acht bewust met geld omgaan en bereidt ze voor op de stap naar het voortgezet onderwijs. Meer informatie over het Nationaal Geldexamen is beschikbaar via: www.geldexamen.nl.

Verder lezen

Langdurig ziek, toch onderwijs

Langdurig ziek, toch onderwijs

23 maart 2017 | Reacties (0)

De meeste ouders krijgen er gelukkig nooit mee te maken. Maar soms worden kinderen ernstig ziek of krijgen ze een ongeluk waardoor ze langere tijd in het ziekenhuis moeten blijven. Naar school gaan lukt dan niet, maar toch houdt je kind recht op onderwijs. In onderling overleg wordt bekeken wat mogelijk is en wat wenselijk is. Voor ernstige zieke kinderen is het vaak fijn om met school bezig te zijn. Het is hun lijntje met hun gezonde, normale leven en met hun vriendjes en vriendinnetjes in de klas.

De basisschool kan hierbij samenwerken met speciale consulenten, die werken bij een onderwijsadviesbureau of bij een van de zeven universitaire ziekenhuizen. Deze consulenten zijn verenigd in het landelijk netwerk ‘Ziek zijn en Onderwijs (Ziezon). Een onderwijsconsulent wordt meestal ingeschakeld door de school, maar dit kan ook door ouders/leerling. Kijk voor meer informatie op de website van het Landelijk Netwerk Ziek Zijn en Onderwijs.

Dankzij moderne technologie is het tegenwoordig voor zieke kinderen veel gemakkelijker om in contact te blijven met hun klas dan vroeger. Ze kunnen vanuit hun ziekenhuisbed meekijken naar de rekenuitleg via een webcam, of een beurt krijgen via een Skype-verbinding.

Ook is er speciale ict-apparatuur waarmee zieke leerlingen zo veel mogelijk ‘in de klas’ zijn, ook al zijn ze fysiek elders. Je kind zit dan thuis achter een computer, maar is op beeldscherm levensgroot aanwezig in de klas. Daardoor kan je kind zelfs gewoon werken in groepjes en oogcontact hebben met klasgenoten en de leerkracht. Zie www.webchair.com en www.klassecontact.nl. De laatste ken je misschien wel uit het reclamespotje van KPN, dat Klassecontact in 2013 heeft overgenomen als maatschappelijk project:

 

Verder lezen

Kind ziet snel bloot en seks op internet

Kind ziet snel bloot en seks op internet

20 maart 2017 | Reacties (0)

Even iets opzoeken of bekijken op internet en oeps, een kind ziet bloot of seks. Volgens kenniscentrum Rutgers worden veel kinderen van 9 tot 12 jaar online geconfronteerd met bloot. Het kenniscentrum seksualiteit hield een peiling in samenwerking met het NOS Jeugdjournaal waaruit bleek hoe vaak kinderen op internet op seksualiteit stuiten, meestal zonder daar naar op zoek te zijn.

Zo zien kinderen bijvoorbeeld een vagina (34%), een stijve piemel (23%) of mensen die seks hebben (25%). De peiling komt op de eerste dag van de ‘Week van de Lentekriebels’, een landelijke projectweek waarin basisscholen relationele en seksuele vorming geven. Aan de peiling werkten 900 kinderen mee, geworven via het panel van No Ties.

Kinderen komen op verschillende manieren met online bloot- en seksbeelden in aanraking: 39% zoekt naar iets anders en ziet het ineens, bij 31% laten anderen de beelden zien, bij 25% verschijnt het zomaar op het scherm, 17% zoekt het zelf op. De meeste kinderen zien de beelden op computer, tablet of telefoon bij hun thuis (71%), ruim een derde (37%) bij een vriendje of vriendinnetje en 16% op school. Ze kwamen vooral via Google (41%) en YouTube (24%) bij deze beelden terecht. Bij het zien van de beelden kijkt een meerderheid van de kinderen (55%) wel even en klikt ze vervolgens weg, 21% blijft wat langer kijken en 19% klikt meteen weg. 

Meer dan de helft (55%) van de kinderen geeft aan daar op school géén les over te krijgen.

Op school weinig aandacht voor omgaan met online bloot

Rutgers vindt het zorgwekkend dat 40% van de kinderen in groep 8 aangeeft géén les te krijgen over hoe om te gaan met online bloot- en seksbeelden. Ton Coenen, directeur Rutgers, licht toe: “Deze kinderen staan op het punt om naar de middelbare school te gaan, waar ze niet alleen in aanraking kunnen komen met seksueel getinte beelden, maar bijvoorbeeld ook met sexting en grooming. Het is belangrijk dat zij al op de basisschool leren hoe ze hiermee kunnen omgaan, zodat ze voorbereid en weerbaar zijn.” 

Kinderen bespreken wat ze zien met ouders

Het merendeel van de kinderen (59%) geeft aan met hun ouders te praten als zij bloot- of seksbeelden hebben gezien. Ruim een kwart (28%) van de kinderen die deze beelden hebben gezien, geeft echter aan het aan niemand te vertellen. Hoe ouder ze zijn, hoe minder vaak ze het aan iemand vertellen. Van de 9-jarigen vertelt 16% het niet, van de 12-jarigen 39%.

Een filter op je laptop plaatsen helpt, maar is volgens Rutgers niet de oplossing. “Kinderen zijn niet alleen thuis online; ook bij vriendjes/vriendinnetjes en op school. Ga met kinderen in gesprek over wat je kunt tegenkomen en hoe je daarmee om kunt gaan, over hoe je online met elkaar omgaat en over hoe je online je grenzen bewaakt,” zegt Ton Coenen.

Rutgers roept scholen en ouders op om hier samen mee aan de slag te gaan. Scholen kunnen ouders ondersteunen bij de seksuele opvoeding door bijvoorbeeld ouderavonden te organiseren. In Nederland is seksualiteit en seksuele diversiteit sinds 2012 opgenomen als verplicht onderdeel in de kerndoelen voor het basisonderwijs. “Scholen zijn vrij om hier zelf invulling aan te geven, maar omgaan met seks in de media zou in het onderwijs zeker een plek moeten hebben.”

 

Week van de Lentekriebels

Van 20 t/m 24 maart 2017 vindt op basisscholen in heel Nederland weer de Week van de Lentekriebels plaats. Gedurende de projectweek leren de kinderen van groep 1 t/m 8 over hun lichaam, over relaties, omgaan met social media, en over zelfbeeld en seksuele weerbaarheid. Rutgers organiseert de projectweek in samenwerking met de GGD-en. In deze 11e editie staat het thema respect centraal. Meer staat op www.weekvandelentekriebels.nl. 

Verder lezen

Waarom doen jongens het slechter op school?

Waarom doen jongens het slechter op school?

20 maart 2017 | Reacties (0)

Jongens doen het steeds slechter op de basisschool. De laatste jaren is hun score op de eindtoets in groep 8 met 1,5 punt gehaald. Dat blijkt uit een analyse van de Citoresultaten door de Universiteit Twente (UT) en onderzoeksbureau Oberon, zo meldt het AD. Meisjes scoren sinds drie jaar hoger dan jongens.

De onderzoekers hebben geen verklaring voor de dalende scores van jongens, maar in het krantenartikel en in andere media zijn er diverse deskundigen die wel een idee hebben waardoor jongens op achterstand raken. Gedragsdeskundige Lauk Woltring is gespecialiseerd in jongens in het onderwijs. Hij wijt de dalende prestaties drie factoren: het ontbreken van contact met mannelijke rolmodellen, het onderwijs dat taliger is geworden en de gebrekkige manier waarop rekening wordt gehouden met de rijping van het jongensbrein, die anders verloopt dan bij meisjes.

Onderwijs steeds ‘taliger’

Hij krijgt bijval van andere deskundigen. Zo wijst emeritus hoogleraar pedagogiek Louis Tavecchio er in een vervolgartikel in het AD ook op dat het ‘talige’ onderwijs van tegenwoordig minder geschikt is van jongens. “Taal is nou juist niet de sterkste kant van jongens. Dat komt doordat het brein van jongens anders rijpt dan dat van meisjes.”

Op de meeste scholen wordt in groep 8 de Centrale Eindtoets afgenomen. Deze toets wordt gemaakt door Cito in opdracht van het College voor Toetsen en Examens. Net als de Cito-toets vroeger, bevatten de rekenopgaven veel verhaaltjessommen. In nieuwe eindstoetsen als IEP en Route8 speelt taal bij de rekenopgaven een veel minder grote rol. De makers van deze toetsen komen daarmee tegemoet aan de kritiek dat er te veel nadruk ligt op taal.

Weinig mannen voor de klas

Jongenspedagoog Maarten Willemsen herkent de nadruk op taal ook in de manier waarop juffen omgaan met leerlingen. Hij stelt dat jongens in hun identiteit worden onderdrukt omdat er bijna alleen maar juffen voor de klas staan. Kooiman is initiatiefnemer van de beweging Meestert!, die meer meesters voor de klas wil krijgen en houden. In februari startte Meestert! de campagne ‘Meesters maken het verschil’. De ambitie?  Zorgen dat kinderen minstens net zo vaak les krijgen van een meester als van een juf. “Meesters begrijpen jongens beter dan juffen, omdat ze zelf jongens waren.”

Jongensbrein is anders

De ontwikkeling van het brein verloopt bij jongens anders dan bij meisjes. “De ontwikkeling van de grote motoriek en de visuele en ruimtelijke ontwikkeling gaan sneller dan bij meisjes, maar verder is de breinontwikkeling van jongens in alles langzamer dan bij meisjes”,  zegt gedragsdeskundige Lauk Woltring. In de Verenigde Staten en Canada zijn om die reden de laatste jaren honderden scholen gesplitst in aparte meisjes- en jongensafdelingen, een idee dat in Nederlandse discussies over het onderwijs ook steeds weer opduikt.

Geen nieuw probleem

Over de verschillen tussen jongens en meisjes in het onderwijs en het steeds meer achterblijven van jongens, wordt al jaren gesproken en geschreven. Zo publiceerde Onderwijs Maak Je Samen in 2010 al een lang artikel met 33 tips voor leerkrachten om beter om te gaan met jongens in de school:

Tips voor beter omgaan met jongens in de school – Onderwijs Maak Je Samen

In onderstaand artikel beschrijf Lauk Woltring, expert op het gebied van ‘omgaan met jongens’, een reeks tips en handreikingen voor een fijne schoolomgeving voor zowel meisjes als jongens in jouw klas. Tips voor beter omgaan met jongens in de school: In zijn boek ‘Real Boys’ zegt William Pollack dat onze samenleving zich zorgen zou moeten maken …

 

 

Verder lezen